Veel meer seut dan avonturier

Ruim vijf weken van huis en dan kom je toch tot heel wat inzichten. Niet alleen over Griekenland, maar zeker over jezelf.

  • Griekenland is een heel mooi land, rijk aan cultuur en gezegend met een prachtig landschap. Ik geraak er niet op uitgekeken.
  • Toeristen gedragen zich vaak grof, waar ook ter wereld. Dat is in Griekenland niet anders.
  • De Griekse keuken is erg mijn ding. De verscheidenheid aan groenten bevalt mij. Bovendien zijn Grieken voortreffelijke bakkers.
  • Ondanks zoveel belangstelling voor superfoods en andere zaden, voor gezonde voeding hebben heel veel mensen een serieus overgewicht. Ook heel wat jonge mensen. Een strand maakt dit pijnlijk duidelijk.
  • Ik hou van goed weer, mijn humeur wordt er mee door bepaald. Maar boven de dertig graden word ik verlamd door de hitte. Dat heb ik erg onderschat.
  • Ik hou niet van lawaai, ik heb er een hekel aan. Ik ben het ook niet gewoon. Daar ben ik al langer achter. Ik snak naar stilte, naar een ruimte zonder roepende, zingende mensen, zonder loeiende airco’s of ijskasten met een hels kabaal. Gewoon stilte.
  • Ik blijf altijd de toerist. Ik ben degene die te vroeg eet, te weinig eet, en vooral te weinig drink, degene die de taal niet spreekt, degene die te vroeg gaat slapen, degene met stress. Ik blijf degene met andere gewoonten, met een andere achtergrond.
    Ik kwam naar hier met de vraag of je je moederland kan ruilen voor een ander. Wel, ik geloof van niet. De meest vertrouwde plaats blijft die plek waar je bent opgegroeid, de plek van je moeder. Hoe mooi ik Griekenland of bijvoorbeeld ook het zuiden van Frankrijk vind, die streken zijn net zo aantrekkelijk omdat je er maar tijdelijk bent.
  • No stress lijkt hier een motto, al vraag ik mij af hoe echt dit is.
  • Ik mis mijn oven. Het is niet anders. Ik heb tal van receptjes verzameld en ik kan amper wachten om ze uit te proberen.
  • Het schrijven lukt hier goed. Het is een inspirerende omgeving, je krijgt veel indrukken, je maakt verhalen.
  • De streek verandert van gedaante tijdens de zomer. Voor de lokale bevolking die leeft van het toerisme, is dat natuurlijk een goede zaak. De mooiste plekken blijf ik die plaatsjes vinden waar quasi niemand is. En die treffen we hier ook tijdens de zomermaanden. Lange verlaten stranden zonder ook maar één toerist. Behalve wij dan.
  • Insecten zijn mijn vrienden niet.
  • Ik moet bekennen dat ik de dingen die mij het meest vertrouwd zijn, mis. Gewone, vanzelfsprekende dingen waar ik thuis geen of weinig aandacht aan besteed. Mijn keuken, mijn oven, bakken, opstaan en in stilte alleen koffie drinken, de achterdeur open doen en frisse lucht binnen laten, de planten water geven, op je gemak een douche nemen, slapen in een ruimte zonder muggen, kletsen met mijn zus, in Moeskroen een latte drinken en met de eigenares lachen om een dwaze mop, in alle rust een boek lezen in de zetel terwijl mijn zoon hetzelfde doet in een andere zetel. Maakt mij dat tot een verwend nest? Wel , toch veeleer tot een seut dan tot een avonturier. Daar ben ik nu wel achter. En bovendien is er niets mis met af en toe een seut te zijn, toch?

20170721_123304

 

Groeten uit Tolo

Een blog schrijven uit Griekenland heeft toch een beetje het gevoel hier te wonen, te leven. Was het maar zo. Ooit. Ik kan hier wennen. Aan de zon, het weer, de mensen. Echt waar, ik heb hier vrienden. Ik praat met de mensen in een soort mengtaal van Grieks, Engels, Frans, gebaren en ook wat Nederlands. Mensen uit ‘mijn’ straat groeten mij. Een nieuwe vriend, Nikos’ zwaait en roept mij Kalimera tegemoet. Een oude vrouw van wat verderop buigt en groet en lacht als ik haar een goede avond wens. Het leven is hier anders. Heel erg anders. Mijn andere vriend alhier, Dimi, vertelt mij dat ze dingen voor elkaar doen zonder iets terug te verwachten. Dat heeft hij van zijn moeder geleerd. Over Dimi valt wel wat te zeggen – hij heeft enkele werkpunten, maar wie niet? – maar daar heeft hij gelijk in. Ik merk hier een hartelijkheid die ik behalve in Griekenland, zelden tegenkom. Op een dag heeft hij mij een tsoureki, een Grieks paasbrood, gekocht. Dat ontroert mij. En er ontroert mij hier al zoveel. Want ondanks de zon en het lekkere eten gaan de mensen heel erg gebukt onder de crisis.
Enkele jaren geleden vertelde Antonios van Romvi hier in Tolo aan The Guardian dat de reservaties van het hotel erg gedaald zijn, dat ze nauwelijks Griekse toeristen zien. En ja, in de media zie je dan beelden van bejaarden die aan een gesloten bank op hun pensioen staan te wachten. Dat beeld stoort hem een beetje, want dat is wat oudere mensen vroeger ook al deden: aan de deur van de bank staan wachten op hun pensioen.
De vader van Antonios neemt mij vast terwijl ik het artikel lees. “My son”, wijst hij naar de foto. Een trotse vader van een zoon die het min of meer redt. Als ik aan Antonios vraag hoe het nu gaat, antwoordt hij in een Engels dat erg op het mijne lijkt: “on the outside it looks better, but on the inside it’s even worse”. Ik begrijp wat hij bedoelt.
Als ik ’s avonds in bed lig en de Grieken beneden hoor zingen in een plaats vol van rook en ouzo, ruik ik bijna de tragiek. Maar het is van dat land, van die mensen dat ik hou.

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn facebook-pagina of volg mijn instagram-account

20170403_090649
Aan het terras van Romvi – Tolo

Je m’en vais

Ik ben het huis ontvlucht. Klopboren hinderen mij. De straat is verworden tot een werf. Met een hels kabaal als cadeau. Ik kan er niet tegen.
Mijn Hyundai brengt mij naar mijn lievelingskoffiebar: Mama’s Coffee in Moeskroen. Ze spreken er Frans, hetgeen mij al heel wat milder stemt. En de koffie is er overheerlijk.

Hoe komt het toch dat ik altijd weg wil? Als ik naar mijn stylo kijk – een kleinood dat ik kocht in de shop van de Opéra national de Paris – dan wil ik naar Parijs. Als ik het weerbericht van Tolo check – 23 graden vandaag – dan wil ik naar Griekenland. Als ik een foto van Xavier en Sandrine op Facebook zie, dan wil ik naar Les Vans, naar de Ardèche. Zelfs als ik reclameborden zie, van de lippenstiften van Dior Addict bijvoorbeeld, dan wil ik naar Lille, naar Nocibé, waar ik al eens kom. Nochtans hangt in mijn keuken een kader met daarop: Nous aimons notre chez nous, qui ce soit en ville, au bord de mer, à la campagne ou tout simplement ici.
Wil ik altijd weg om terug te kunnen keren? Misschien. Al twijfel ik daar steeds meer aan. Ik hou van het Zuiden; ik ben een kind van de zon. Slecht en donker weer deprimeert mij. Ik voel ook veel meer voor de zuiderse mentaliteit, de openheid, de mildheid, het tempo aldaar ook. Ik hou van de mensen in het Zuiden. En ik hou van de zee, van olijfolie, van feta.
Voor ik vertrek, ga ik altijd naar het kerkhof, naar het graf van mijn moeder. Precies alsof ik wil zeggen: misschien kom ik niet meer terug.
In afwachting van die adieu, kijk ik naar het bord. Daar staat op: Tolo: nog 3,5 weken. En ik lach, want dat is niet lang meer. Ik zal mijn laptop moeten meenemen, want ik moet er ook wat werken. Maar teksten schrijven in Tolo voelt heel anders dan een blogje posten in een koffiebar in Moeskroen. Al is de koffie nog zo lekker.
Nog eventjes en je m’en vais.

knipsel

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn facebook-pagina of volg mijn instagram-account

 

Op zoek naar kaneel in Hongarije

Landen in Athene heeft veel voordelen. Eén ervan is die heerlijke kaneelkoek die je in de luchthaven (ja, zelfs daar) kan kopen. De luchthaven van Boedapest ruikt niet naar kaneel, en toch ga ik in dit vreemde land op zoek naar deze aimabele specerij. Tussen de geur van heel veel burgers, paneermeel en frituurolie zal ik beslist ook dat typerende parfum van mijn geliefde kaneel terugvinden. Een uitdaging – op zijn minst.

Hongaren lijken een nors volk. Ze praten niet veel – en dat ze bijna uitsluitend Hongaars spreken en ik dus niet, helpt ook niet echt. Communiceren is moeilijk. Ik spreek geen Hongaars, Duits amper. Engels, Frans en Nederlands zijn dan voor hen vreemd. Behelpen is het.
Aan de synagoge in Boedapest vinden we Walhalla Club, waar ze joodse specialiteiten serveren. De hoop neemt toe. Tevergeefs. Geen kaneel. De volgende dagen drinken we heerlijke koffie: café mélange – met honing zonder kaneel. Gebak vinden we wel, maar de lekkernijen zijn vooral rijk aan chocolade. In mijn gids tref ik een hobbywinkel met leuke teken- en schilderspullen in een oud pand langs de Nagymezo utca. We stappen langs de Donau tot de Margitbrug en steken daar de rivier over. Het is bloedheet. Nog even verder stappen. We komen in een aardige buurt die mij wat aan Boulevard de Clichy in Parijs doet denken. Dan toch. En daar vinden we Europa, een barok koffiehuis dat de hemel belooft. Toch maar eerst doorstappen naar de hobbywinkel. Gesloten. Wat jammer. We hebben dorst, warm en honger. Op zoek naar een restaurant – zonder paneermeel. We kiezen voor een Italiaan dicht bij het hotel . Het eten en de wijn is er heerlijk. ‘s Anderendaags gaan we alsnog naar de hobbywinkel, die een paradijs lijkt – weliswaar met een norse winkeldame. Vandaar gaan we koffie drinken in een kleine bar, uitgebaat door twee excentrieke dames. Heel speciaal. Toch maar verderop opnieuw proberen. In een bio-eethuisje eten we een broodje en drinken heerlijke koffie. Ook hier geen kaneel. Dan maar richting Balatonmeer. Voor Europa is geen tijd meer.

De eigenaar van ons hotelletje aan de minst drukke kant van het Balatonmeer is een vreemde man. Een gezicht zonder expressie. Het hele hotel ruikt naar frituurolie. We zijn moe en ’s avonds eten we gemakshalve ter plaatse. Op de kaart, bij de desserts, zie ik pannenkoeken met kaneel. Ik neem er een foto van. Voor mijn zoon bestellen we dit als toetje. Het duurt even vooraleer de man begrijpt wat we willen – tot ik mijn foto van zijn deel van de menukaart toon. Hij lacht – een beetje weliswaar, maar hij lacht. De pannenkoeken zijn bedekt met een rijke laag kaneelsuiker. Tja. Beter dan niets.

In Kesthely botsen we bij toeval op een marsepeinmuseum. Het is een klein huisje met een leuk terras, winkeltje en koffiehuis. De geschiedenis van marsepein boeit mij, de prachtige kunstwerkjes in marsepein evenzeer. En dan proeven. Herinner je je nog het verhaal van Rino? Ook hij zou het hier een paradijs vinden. De vrouw des huizes spreekt Frans, en dat scheelt. We kunnen praten en ze lijkt al helemaal niet nors.

De volgende dag stoppen we in Veszprem vooraleer we naar Szentendre rijden. Ik ben quasi misselijk van de hitte. Zelfs een kerk biedt geen verkoeling. En dan gebeurt het. We vinden Veranda home café. Een bakkerij annex decoratiewinkel die samenwerkt met Karolina, het bedrijf van twee broers die hun zaak naar hun grootmoeder noemden. Voor het eerst zie ik brood dat er echt als brood uitziet. Het smaakt zelfs naar brood. Ook verschillende soorten gebak lonken. Maar geen kaneel. Toch ben ik bijzonder tevreden. In hun winkel koop ik een schriftje – voor een nieuw verhaal. De uitbater, die Engels spreekt, vertelt het verhaal van Karolina. Mooi. Heel erg mooi.

Later op de dag komen we in Szentendre aan. Een beetje Brugge in Hongarije. Ook daar hebben ze een marsepeinmuseum met heerlijke creaties. We kunnen zelfs een blik werpen op het atelier. Wat graag zou ik hier met de werknemers praten. Maar gezien geen kennis van het Hongaars… Jammer. In het bijhorende koffiehuis hebben ze een ruim aanbod aan marsepein en gebak. Geen kaneel.

Ik ben kaneel blijkbaar misgelopen. Anne Shooter maakt in haar boek Kaneel & Kardemom nochtans gewag van Hongaars apenbrood, met kaneel. Zelf bakken dan maar. Misschien serveerden ze het wel in Europa, het barokke koffiehuis dat we gemist hebben. Europa in Hongarije: het was blijkbaar moeilijk.

In de luchthaven in Boedapest is het lang wachten. Koffie dan maar. En daar zie ik ze dan ineens liggen: kaneelbroodjes. Echt waar.

fot4
het bio-eethuisje in Boedapest

 

foto5.PNG
De hobbywinkel in Boedapest
foto2.PNG
Pannenkoeken met kaneel
foto3.PNG
Uit het marsepein-museum
foto1.PNG
Veranda Home Café in Veszprem

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn facebook-pagina

Goed volk

13043504_10208220219215192_1568747200914665575_nReisverhalen van Arthur Japin

Arthur Japin reist veel. En wie reist, komt al eens iemand tegen. “Reizen is zo verschrikkelijk belangrijk! Het maakt je vrij, open.” , vertrouwde Alberto Moravia Japin toe. In ‘Goed volk’ vertelt Arthur Japin over zijn bijzondere ontmoetingen.

The Dimi Brothers
Het boek zette mij aan het denken. Wie is mijn goed volk, over wie zou ik het hebben als ik een dergelijk werk samenstel? Ongetwijfeld over Dimitrios, de hoteluitbater uit Tolo, de man die zijn moeder zo mistte en mij de lekkerste appelsienen meegaf, die zorgde dat mijn rusteloze benen wat hoger konden liggen in mijn bed; het is ook de man met de vervaarlijke hoest, de man die eenzaam naar de zon keek. Ook de mémé uit Tyros, die ons uitzwaaide toen we naar Athene vertrokken, zou niet ontbreken. Net zomin als de vriend uit de Super Market wat verderop. Ik zou ook schrijven over Sandrine uit Les Vans, die mijn zoon van een kleine jongen tot een tiener zag opgroeien, over meneer uit Chagny die een Logis de France uitbaat en die ons na een helse tocht door nog helser weer trakteerde op veel verwarming en een heerlijke risotto, die zijn zieke vrouw bereid had. Ook over Denis zou ik het hebben, de man die zijn appartement in Barcelona aan ons verhuurde en ongegeneerd zijn hennepplanten op het terras liet staan. Ik zou ook lyrisch doen over de bakker van Paul in EuraLille, die met een gebroken been nog steeds liever bij zijn mecs in de bakkerij was dan thuis. Ik zou ook de bakker herdenken die ons, veertig jaar geleden, de heerlijkste appelflappen verkocht in Bastogne. Onze auto stond zowaar geparkeerd naast een tank. Mijn vader was daar waanzinnig in geïnteresseerd. Met een mond vol appel staarde ik naar die gevaarlijke tuigen. Ik zou ook schrijven over de patissier, vlakbij de Moulin Rouge, langs de Boulevard de Clichy in Parijs, wiens recept van pâte d’amande tot mijn dierbaarste schatten behoort. Ik zou ook uitweiden over de kok uit de Taverna To Steki in Tolo, die ons een heerlijk kaneelgebak serveerde – alleen aan ons, want we waren de enige gasten in dat ruime restaurant.
Dimi & Brothers: dat is mijn goed volk.

Arthur Japin en de hitte
Arthur Japin heb ik tijdens mijn reizen niet ontmoet. Of toch – tijdens een uitstapje, naar de boekenbeurs. Enkele jaren geleden ging ik met mijn zoon naar Antwerpen, naar de boekenbeurs. Met de trein en dan de tram. We kwamen aan in een overvolle, warme hal. Aan de vestiaire stond een lange rij mensen te wachten. Wij, zonder geduld, hielden onze jas dan maar aan. De hitte in die zalen benam ons alle energie. Elk een boek dan maar. Mijn zoon wou een nieuwe Geronimo Stilton en ik wilde een ‘mooie’ roman. Het werd ‘Zoals dat gaat met wonderen’ van Arthur Japin. Hij was er zelf ook, maar ik had het veel te warm om het boek te laten signeren. Later speet het mij – dat ik de hitte niet getrotseerd had om toch op zijn minst een praatje te maken. Het dagboek is één van de meest bijzondere boeken in mijn boekenkast geworden. En andere boeken van zijn hand waren al eens mijn reisgezel.

Goed volk
In korte verhalen en notities van over de hele wereld en door de jaren heen schetst Arthur Japin zijn ontmoetingen met enkelingen die hun eenzaamheid tot schitterend gebrek maakten. Vorsten, zwervers, politici en koninginnen van de nacht, maar ook schrijvers kruisen zijn pad. Eén van de meest aandoenlijke passages van het boek vind ik de ontmoeting met de zus van Susan Sontag, Judith Cohen, meer bepaald als Ben (Moser) aanbiedt om de as van haar gestorven man op te halen.  Ook de boottocht van Japin met zijn ouders liet mij niet onberoerd.
Verrast en helemaal niet voorbereid was ik toen Anil Ramdas het boek binnenwandelde.  De betreurde Ramdas kleurde zeker mijn studententijd. We hadden wel wat gemeen – niet in het minst een kwalijke arrogantie en betweterigheid. Maar Ramdas liet zich ondanks een buitengewone intelligentie, foppen door zijn zwakte. Het betekende zijn ondergang. Doodjammer vind ik dit, nog altijd.
In Zuid-Afrika was Arthur Japin met Anil Ramdas te gast op een soort van literaire manifestatie. Ramdas wond zich – naar goede gewoonte – allicht nogal op in zijn betoog. En ook hier ziet Japin klaar: “Nog altijd verzet hij zich om maar niet thuis te hoeven komen.” De eeuwige vlucht van Ramdas is inmiddels ontaard in een eeuwige rust.
Literaire manifestaties zijn vaak de aanleiding van de ontmoetingen. Japin houdt niet van grootspraak, van gekunstelde groepen evenmin. Ook hierom apprecieer ik hem. Een andere keer vormen zijn personages het uitgangspunt van een reis. Kwasi en Kwame, ‘De zwarte met het witte hart’ zijn nooit ver weg.

‘Goed volk’ ontlokt Arthur Japin bijzondere ontmoetingen, maar evenzeer mooi zinnen. Zinnen die je onder het vel blijven zitten. Zinnen die je verdere zijn bepalen. Goed volk koester je, het boekje evenzeer.

‘Bij alles wat je overkomt en waarbij je nu denkt, waarom gebeurt mij dit? Moet je eens denken: waarom ook niet? Waarom zou mij zoiets ook eigenlijk niet gebeuren?’

‘Goed volk’ van Arthur Japin is heel mooi uitgegeven bij uitgeverij Magonia en kost 17,95 euro.

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn Facebook-pagina: http://bit.ly/1qCGdrO

Benidorm

Heel wat jaren geleden vertrok mijn moeder op vakantie naar Benidorm. Met een verre nicht. We hadden kunnen weten dat dit idee fout was. Vakantie in een ander land dan Frankrijk betekende voor mijn moeder een vorm van verraad. Op reis gaan met iemand anders dan één van haar kinderen betekende dit evenzeer. Toch had ze zich laten overtuigen. Hoe hard ik ook mijn best doe, ik kan mij niet meer herinneren wat die doorslaggevende argumenten moeten geweest zijn. Naar Benidorm dus. 10 dagen. De verre nicht was er al enkele keren geweest en bon, Benidorm heette zowat het paradijs. Wij, de kinderen, deden smalend over Benidorm. Mijn moeder was de cultuur van Frankrijk gewoon, geen paradijs noch kitscherig strand. En al zeker geen Nederlandssprekende lokale bevolking.
De eerste postkaart die we kregen, gaf een teken. Een strand, veelkleurige strandstoelen en parasols, nog meer kleurige letters. Zelfs die kaart kon bezwaarlijk het idee zijn van mijn moeder. Ze deed niet aan op het strand liggen. Een dorpje bezoeken, iets drinken, wat eten, een praatje maken, wat rondrijden – dat allemaal wel. Maar op een strandstoel liggen zonnen? Ik heb haar dat nooit zien doen. Iedereen was het er over eens: de reis en de postkaart vielen tegen. De dagen duurden lang. Ook voor ons, de achterblijvers. Ik kon nauwelijks het reisverslag afwachten.
De dames keerden van de luchthaven met een busje terug naar huis. Het idee alleen al… We stonden in de living door het raam te kijken en probeerden iets van de blik van mijn moeder op te vangen. Het leek iets tussen ergernis en gelukzaligheid. Heel precies konden we de emoties niet duiden. De nicht was al eerder aan haar huis afgezet – heel gemakkelijk dat luchthavenvervoer – en mijn moeder stapte binnen en deed de voordeur dicht. Wij, bijna in koor: ‘En?’ Het waren niet haar eerste woorden, maar heel vlug volgde: ‘dat nooit meer’. Benidorm stond zoals verwacht, gelijk aan zon en strand, veel Belgen, neplederen handtassen, blingbling kettingen en marktjes. Mijn moeder had graag ook het oude gedeelte bezocht, maar de nicht hield van marktjes en blingbling. Veel eerder dan ontspannen gaf mijn moeder een nerveuse indruk. Veel praten om de ergernis te ventileren. Tja, Benidorm.
Ik moet aan deze reis terugdenken als ik in Iedereen Beroemd de verslagjes van Belgen in Benidorm bekijk. En ook nu weer begrijp ik dat Benidorm niets voor mijn moeder kon zijn.