Zou Ozark Henry weten dat hij mijn loopmaatje is?

Zwetend, in een veel te korte short en een volgens mijn zoon erg flashy truitje zit ik aan de keukentafel na te puffen. Waar komt die looppassie vandaan? Ik loop graag. Het maakt mijn hoofd wat meer leeg en mijzelf wat rustiger. Het moet bijna twintig jaar geleden zijn toen ik aan mijn eerste loopwedstrijd deelnam. Nou ja, wedstrijd. Een familierun van iets meer dan 6 km in Gijzelbrechtegem. Ik had ervoor nog nooit een kilometer aan één stuk gelopen – tenzij misschien als kind in een turnles. Toch wou ik meedoen. Mijn moeder ging mee. Bon, het parcours viel wel wat tegen. Echt vlak was dat daar niet. En een kilometer, wel dat vond ik toch heel erg lang duren. Ik had mijn ademhaling niet onder controle, maar wou per se door lopen. Jawel, op karakter. Mijn moeder trad mij aan de finish tegemoet alsof ik een bijzondere medaille op de Memorial Van Damme gehaald had. Mijn moeder was mijn enige en trouwste supporter.
Ook daarna ging ik vaak lopen. Die wedstrijdjes in diverse dorpen daagden mij wat uit. En zo heb ik een verzameling T-shirts van de meest onwaarschijnlijke dorpswedstrijden.
Nu is het weer zover. In juli neem ik deel aan de dorpsrun in Bellegem. Een heuvelachtig parcours dat ik iedere avond afloop – met muziek van Ozark Henry in mijn oren. Steeds hetzelfde liedje: Air and Fire. Eén van mijn lievelingsliedjes. Honderden keren heb ik er al naar geluisterd. Steeds opnieuw. Soms droom ik er zelfs van. En dan zing ik en speelt een vage kennis drums. Je moet weten, ik kan geen noot zingen, maar in mijn dromen is alles mogelijk. In mijn dromen kan ik alles: zingen, hard lopen, gelukkig zijn. In mijn dromen is Ozark Henry mijn loopmaatje.

Air and Fire

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn Facebook-pagina: http://bit.ly/1qCGdrO

Voorbereidingen voor een moederdag zonder moeder

12662691_1692283084382853_4726166045024050226_nIk wil een brief schrijven. Een brief aan mijn moeder. Maar dat gaat niet. Mijn moeder stierf vijf jaar geleden. En toch is dit mijn ultieme wens, een brief schrijven, nog één keer. Zo graag zou ik haar van alles vertellen. Wat zou ik dan in die brief schrijven? Ongetwijfeld dat ik haar mis. Iedere dag. En dat dat missen niet overgaat, dat het mij pijn doet. Dat ik verdriet heb, om zoveel, maar vooral omdat ze er niet meer is. Ik zou ook schrijven dat mijn zoon, haar kleinkind, gegroeid is, van een klein kind naar een heuse tiener. Dat zou ik haar zeker vertellen. En dat ze trots op hem zou zijn. Om zijn goede punten op school, maar vooral omdat het zo’n aardige jongen is. Een jongen die ook houdt van Frankrijk, net zoals zijn oma – dat zou ik beslist schrijven. En ze zou daar blij om zijn.
Ik zou ook vertellen over de aanslagen in Parijs en Brussel, hoe de wereld in brand staat, ik zou schrijven over de vluchtelingen, over hoe weinig solidariteit er in deze wereld is, maar des te meer onverdraagzaamheid. Ze zou zich daarover opwinden, dat weet ik zeker. Ik zou ook vertellen dat er stekjes van geraniums die ik meebracht uit Griekenland, op de vensterbank staan en flink aanpakken, dat er zelf één bloeit. Ik zou schrijven dat wij nu in een huis in haar geboortedorp wonen, en dat haar roots ook de onze zijn, en dat we het hier naar onze zin hebben. Ik zou ook vertellen dat het schrijven aardig lukt. En ze zou fier zijn.
Ik zou  haar toevertrouwen dat ik die Libelle van vijf jaar geleden, die Libelle die ze bij zich had toen ik haar de laatste keer zag, koester als een relikwie. En ze zou zeggen dat ik niet moet huilen. Dat weet ik zeker. En toch ween ik.

Nu al, weken op voorhand, worden we om de oren geslagen met reclamefolders. Ideetjes voor moederdag. Ik heb zo’n hekel aan die dingen. Ik moet geen ideetjes. En toch, ik ben zelf moeder en dat wordt dus ook mijn feest.
Mijn zoon is druk in de weer met de voorbereidingen voor moederdag. Stiekem worden voorwerpen in plastic zakken gestopt, geniepig wordt er inpakpapier naar zijn kamer gebracht. Ik moet lachen. Mijn zoon is de liefste jongen van de wereld – zeker in de aanloop naar moederdag.

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn Facebook-pagina: http://bit.ly/1qCGdrO

Ik mis ze wel, die jongens. Aan de vooravond van La Doyenne.

April 2009 – op weg naar Remouchamps. Liège-Bastogne-Liège werd gereden en wij, mijn moeder, zoon en ikzelf, gingen kijken. Plan was om tot de bevoorrading te rijden en vervolgens naar de aankomst in Ans. Mijn moeder hield van de koers, maar nog meer van de Ardennen en ze was eigenlijk mee voor het etentje achteraf. Mijn zoon vond en vindt nog steeds koers maar niets, maar die heuvels in de Ardennen leken echte bergen voor die kleine jongen. De fascinatie was enorm. En zo stonden we daar bij enkele soigneurs aan de bevoorrading. Kofferbak open, zittend op de rand van de koffer. Zoals les profs. Mijn zoon was druk in de weer met het zoeken naar keien, mijn moeder vond het allemaal wat lang duren en ik gaf commentaar op de koers – tegen niemand in het bijzonder. In een flits snelden de renners voorbij. En dat was het dan. Wij dan maar naar Ans. Mijn zoon raakte niet uitgepraat over de bergen in ons land en mijn moeder had honger.
In Ans vonden we vrij gemakkelijk een parkeerplaats en wandelden tot de aankomst. In de laatste bocht stond een groot scherm waar de koers op te zien was. Verder geraakten we niet meer. Ik duwde mij tot de nadars terwijl mijn moeder en mijn zoon wat op afstand bleven. En toen was hij daar. Andy Schleck, de jongste van de broers won La Doyenne. Hij was toen 24 jaar. De Schlecks waren jonge goden in het peloton, barstend van het talent en enorm geliefd. Maar dat was toen. Toen reden ze nog bij Bjarne Riis, heette hun ploeg nog CSC en Saxo Bank , en zag de wereld er nog heel anders uit. Toen was koersen nog hun hobby, genoten ze als gelukkige knaapjes  –  druk kenden ze niet. Dat was toen. Toen torsten ze nog geen dopingverhalen met zich mee, toen visten ze, was Armstrong nog een vedette en woonde de jonge Andy nog bij zijn mama. Toen leefde mijn moeder nog.
De twee broers leken een geweldige carrière tegemoet te gaan. De jongste won zelfs de Tour. En ook Frank Schleck reed geïnspireerd. Maar het bleef niet duren. Andy kon het succes moeilijk dragen, Frank werd geschorst als gevolg van een dopingaffaire. De druk was bij beiden loodzwaar geworden. Of met andere woorden: hun moeder was veel te ver weg en de hoge verwachtingen zaten  hen op de hielen. Het vervolg is gekend: Andy stopte met koersen na blessures, Frank koerst nog – zij het in de schaduw, ja van wie eigenlijk? Het is jammer, doodjammer dat die eens succesvolle renners langs de achterdeur van het peloton verdwenen zijn.  Ik mis hen wel, die jongens, en dat zal zondag niet anders zijn, maar nog veel meer mis ik mijn moeder.

Canella

kaneel

‘Canella’ zegt de man trots als ik hem vraag hoe kaneel in het Grieks klinkt. Ik had het kunnen weten: stokje, natuurlijk. De zakjes kaneel liggen op een bestoft schap in een donkere hoek van de winkel. De supermarket is in zijn hele amper verlicht. De vrees voor een hoge elektriciteitsfactuur verklaart de duisternis. De man lacht, hij is blij met een enkele toerist. En nog blijer als ik woordjes wil leren. Ef charisto betekent dank je wel – charmeert hij verder. Zelfs dat wist ik niet. Zijn vrouw bekijkt het schouwspel van op afstand. Het winkeltje is gelegen langs de zee en kende vroeger allicht een groot succes. Een shop voor de toeristen. Toeristen die er nu nog amper zijn. Een meisje dat in een plaatselijk restaurant werkt, verklaart dat de reizigers veelal Grieken waren, die nu wegblijven omwille van de crisis. En verder zijn er nog Duitsers en Oostenrijkers die hier decennia geleden huizen kochten en verbouwden. Haar lichaamstaal verraadt hetgeen ze hier van vindt.
Bij de bakker ruikt het onvermijdelijk naar kaneel. Het aanbod is heel beperkt. De vrouw des huizes is aan het lezen. Een heel dik boek. Om de dag door te komen – vermoed ik. Ze spreekt geen Engels en ik geen Grieks. Toch begrijpt ze mij als ik vraag om het soortement van stokbrood te snijden. Ik loop door en ga terug naar mijn nieuwe vriend van de supermarket, waar ik een mes koop. Om brood te snijden.

In mijn valies heb ik een speciaal vakje: het kaneelvak waar ik mijn zakjes kaneel verzamel. Ik hou van die specerij. De geur gaat naar mijn kindertijd, naar de keuken van mijn moeder. Niemand kon klaaskoeken bakken zoals zij dat kon. Met kaneel, veel kaneel. De geur is een parfum van geluk, van jeugdsentiment, maar ook van heimwee, van gemis. Als ik thuis de zakjes kaneel uit mijn valies haal, merk ik weer dat heimwee. Een ziekelijk verlangen naar een land waar ik mijn hart verloor. Kaneel maakt mild, leerde ik onlangs. Dat vind ik bijzonder. Zou dat de verklaring zijn voor de uithouding van de Grieken in die slepende crisis? Of is het eerder de passie, de liefde die ze voor hun land voelen, een passie die ook uit kaneel spreekt? Cinnamon is bitter and sweet, just like a woman, the way to everyone’s heart – klinkt het in A Touch of Spice. Of is het dan toch omdat ze – zoals de apotheker op weg naar Mycene verklaarde – strong people zijn?

Feminisme volgens mijn moeder

We waren met vier. Vier kleine kinderen tussen 7 en 15 jaar met één moeder. Een vader was er niet meer. Dood. Uit het leven gesnokt. Mijn moeder was toen nog een jonge vrouw van goed veertig jaar. De dood van mijn vader reduceerde haar tot weduwe en wij, de kinderen, tot half-wezen. Alles krijgt wel een naam. Hoe het dan verder moet als jonge vrouw met vier kinderen, daar was geen term voor. Of toch wel. Maar dat besef kwam later pas.
De zomer begon, en daarmee de grote vakantie. We gingen naar zee. We beschikten over een wagen en mijn moeder over  een rijbewijs. Alleen had ze dat rijbewijs zonder veel kennis van zaken kunnen afhalen op het stadhuis. Echt rijden met een auto, dat zag ze toch vooral anderen doen. Toch gingen we naar zee. De auto uit een smalle garage krijgen, behoorde niet tot haar vaardigheden, achteruit rijden evenmin. Mijn moeder bedacht voor alles een oplossing. De buur zou de auto uit de garage rijden en dan  – de zee was immers rechtdoor – zou zij de weg verderzetten. En zo geschiedde. Voor dag en dauw vertrokken we naar Nieuwpoort. Altijd rechtdoor. En we kwamen goed en wel aan. Van de vakantie zelf herinner ik mij weinig. Behalve dan dat er bezoek kwam. Ik geloof dat mensen ons kwamen troosten en dan maar een dag aan zee meepikten op mijn moeders kosten. Ramptoerisme, zo je wil.
Kleine  kinderen werden pubers en later grote kinderen. Mijn moeder zorgde alleen voor brood op de plank. Veel brood met beleg. We studeerden verder – dat was één van haar wensen. En dat gebeurde.  Mijn moeder begeleidde ons, alleen. We gingen op reis, er waren boeken in huis, we waren goed gekleed, we werden aangemoedigd. Mijn moeder deed alles alleen. Van de vuilniszakken buiten zetten tot de motorkap openen, van zieken verzorgen tot diplomavieringen bijwonen, van samen lachen tot samen huilen. Wij, de kinderen vonden dit vanzelfsprekend. Mijn moeder was moeder en vader in één persoon. Ik was te jong om te beseffen wat dit van een mens vergt. En later, later heb ik het haar te weinig gezegd – hoeveel respect dit verdient.
Was mijn moeder een martelares? Zeker niet. Was alles de schuld van een ander? Ook niet. Het leven had een onverwachte wending genomen en zij maakte er het beste van. Ze kon alleen haar plan trekken en leerde ons dat ook, onafhankelijk te zijn. Ze bracht ons een leven bij waarin wijzelf de vuilniszakken buiten zetten. Ze leerde ons mondig te zijn, te ijveren voor onze rechten, op te komen voor onszelf. Ze leerde ons moedig te zijn, want dat is wat je bent als je met vier kinderen verder moet, dat is die term die toen, zoveel jaar geleden, ontbrak. Ze leerde ons te leven. En als dat de kern van het feminisme is, dan sluit ik mij er, op de vooravond van de vrouwendag,  graag bij aan.

Benidorm

Heel wat jaren geleden vertrok mijn moeder op vakantie naar Benidorm. Met een verre nicht. We hadden kunnen weten dat dit idee fout was. Vakantie in een ander land dan Frankrijk betekende voor mijn moeder een vorm van verraad. Op reis gaan met iemand anders dan één van haar kinderen betekende dit evenzeer. Toch had ze zich laten overtuigen. Hoe hard ik ook mijn best doe, ik kan mij niet meer herinneren wat die doorslaggevende argumenten moeten geweest zijn. Naar Benidorm dus. 10 dagen. De verre nicht was er al enkele keren geweest en bon, Benidorm heette zowat het paradijs. Wij, de kinderen, deden smalend over Benidorm. Mijn moeder was de cultuur van Frankrijk gewoon, geen paradijs noch kitscherig strand. En al zeker geen Nederlandssprekende lokale bevolking.
De eerste postkaart die we kregen, gaf een teken. Een strand, veelkleurige strandstoelen en parasols, nog meer kleurige letters. Zelfs die kaart kon bezwaarlijk het idee zijn van mijn moeder. Ze deed niet aan op het strand liggen. Een dorpje bezoeken, iets drinken, wat eten, een praatje maken, wat rondrijden – dat allemaal wel. Maar op een strandstoel liggen zonnen? Ik heb haar dat nooit zien doen. Iedereen was het er over eens: de reis en de postkaart vielen tegen. De dagen duurden lang. Ook voor ons, de achterblijvers. Ik kon nauwelijks het reisverslag afwachten.
De dames keerden van de luchthaven met een busje terug naar huis. Het idee alleen al… We stonden in de living door het raam te kijken en probeerden iets van de blik van mijn moeder op te vangen. Het leek iets tussen ergernis en gelukzaligheid. Heel precies konden we de emoties niet duiden. De nicht was al eerder aan haar huis afgezet – heel gemakkelijk dat luchthavenvervoer – en mijn moeder stapte binnen en deed de voordeur dicht. Wij, bijna in koor: ‘En?’ Het waren niet haar eerste woorden, maar heel vlug volgde: ‘dat nooit meer’. Benidorm stond zoals verwacht, gelijk aan zon en strand, veel Belgen, neplederen handtassen, blingbling kettingen en marktjes. Mijn moeder had graag ook het oude gedeelte bezocht, maar de nicht hield van marktjes en blingbling. Veel eerder dan ontspannen gaf mijn moeder een nerveuse indruk. Veel praten om de ergernis te ventileren. Tja, Benidorm.
Ik moet aan deze reis terugdenken als ik in Iedereen Beroemd de verslagjes van Belgen in Benidorm bekijk. En ook nu weer begrijp ik dat Benidorm niets voor mijn moeder kon zijn.

Dior en kaneel bij Marlette

Soms weet je het gewoon. Zonder verklaring. Alsof je een teken uit de hemel krijgt. Die geur uit duizenden, miljoenen parfums. Die geur en geen ander, die geur die bij je past, die geur waar je spontaan bij glimlacht, die je zelfvertrouwen minstens zoveel opkrikt als die knalrode lippenstift, die geur die je schouders recht en je meevoert in de wind. Die geur die je verleidt en de basis is van alle liefde die in je lijf steekt. Die geur die je pols omarmt en je vertrouwt.  Die geur die je meesleurt als een livre de poche op zondagmiddag. Die geur die meedeint op de melodie van het mooiste chanson. Die geur die meer Parijs is dan de stad zelf. Die geur die het gevecht aandurft met kaneel. Die geur van Poison Girl van Dior.
Parfum is mij minstens even dierbaar als een mooie jurk en hoge hakken en tonen dat ik goed in mijn vel zit en de hele wereld aan kan. En met Dior in Parijs kan ik wereld aan. Met kaneel evengoed. Kaneel is vertrouwd, huiselijk en werelds tegelijk, kaneel is het decor van zoveel prachtige bakkerijen, van de keuken van mijn kindertijd, van mijn eigen plek. Kaneel is mijn passie, kaneel is bakken en gebak, kaneel zijn mijn moeders klaaskoeken, kaneel is liefde.
En soms gaan Dior en kaneel hand in hand. In Parijs bijvoorbeeld.  In het 9de arrondissement, langs de Rue des Martyrs huist Marlette – een uniek koffie-, gebak- en eethuisje. Marlette is een teken uit de hemel. Mijn moeder heette Mariette.  Marlette is het beste van twee werelden, van de keuken  en de hemel,  van kaneel en Dior, van bakken en Parijs. Marlette is de geur van mijn moeder.

La Fête des crêpes

20160131_1438112 februari is een bijzondere dag. Christenen vieren Maria Lichtmis, een herdenking aan de Presentatie van de Heer in de Tempel waarbij Jezus wordt opgedragen aan God. Op Maria-Lichtmis worden traditioneel kaarsen gewijd en een kaarsenprocessie gehouden. In het Frans spreekt men van La Chandeleur, la Fête des Chandelles – het feest van de kaarsen. In Frankrijk geeft alles sowieso meer licht.
Maria lichtmis betekent de intrede van het licht. Ook letterlijk. Vanaf die dag mag de zon komen piepen, staan er gele tulpen in huis en ziet de wereld er minder somber uit. De avant-printemps zeg maar.
Op 2 februari worden ook traditioneel pannenkoeken gebakken. Een gebruik dat wij in ere houden. Mijn zoon is gek op pannenkoeken. Enkele jaren geleden kreeg ik van hem als kerstpakje een pannenkoekenpan cadeau. Enig opportunisme is hem niet vreemd. En dus eten wij op 2 februari pannenkoeken. Pannenkoeken volgens een Frans recept – zonder suiker in het deeg. Het beleg is zoet genoeg: mijn zoon kiest steeds voor choco, ikzelf voor kandijsuiker.
Ons Fête des crêpes kreeg  vijf jaar geleden een ferme deuk. 2 februari is de dag waarop mijn moeder begraven werd. En dus herinnert Maria Lichtmis voortaan aan die sombere dag. Om één of andere reden voel ik de noodzaak om naar het kerkhof te gaan. Nochtans heb ik een hekel aan die plaats. Een plek waar je geconfronteerd wordt met de realiteit, waar je ziet dat je moeder echt dood is, een plaats waar je jezelf niet meer voor de gek kan houden. En toch zijn er momenten dat ik er naartoe gezogen word. Niet dat ik er uren slijt, verre van. Ik kan niet rap genoeg weer weg zijn. Even de bloemen checken en weer weg. Vroeger reed ik ook nog een blokje om, om mijn ouderlijk huis te passeren. Van die gewoonte ben ik uit zelfbehoud afgestapt, maar een bezoek aan het kerkhof blijft een heilig moeten.  2  februari is behalve een dag van licht en pannenkoeken, ook een dag van het kerkhof geworden. Toch wil ik op 2 februari  de voorkeur aan het licht geven, en niet aan het verdriet. Zon en pannenkoeken zijn belangrijke ankers in deze tijden en een voorbode van een prachtige, warme lente.

 

Over moeders, die blijven leven

Verschenen in De Bond van 29 januari 2016

Afscheid nemen van je moeder. Hoe doe je dat? Is afscheid überhaupt mogelijk? Hou je door je eigen leven, door je herinneringen haar levend? Of is dat slecht een wens, tegen beter weten in, van een eeuwig rouwend kind? Adriaan Van Dis en Maarten ’t Hart schreven afgelopen jaar een boek over hun overleden moeder. Om afscheid te nemen, om af te rekenen, rouwend, uit liefde of was het om een verhaal te maken, een verhaal om de waarheid draaglijk te maken? Een verhaal over een nieuw  of ander leven. Adriaan Van Dis: Ik zou haar een papieren leven geven, of nog beter : een nieuw leven. Een leven waarin ze weer goed kon lopen, haar lippen kleurde, wijde rokken droeg of haar vuurvaste mantelpakken. Een dansende moeder wilde ik opvoeren, een knokkende moeder. De sterke vrouw uit mijn jeugd.

Ik blijf
Ik kom terug, de roman van Van Dis, verzamelt  de verhalen van zijn moeder.  Ze verbreekt de stilte in ruil voor een zelfmoordpil.  Ze sterft uiteindelijk tijdens Van Dis’ afwezigheid. Hij ziet haar niet meer terug.  Of toch. Ze komt  terug: om tevreden te knikken bij hetgeen hij over haar schrijft.  In Magdalena van Maarten ’t Hart sterft zijn moeder na haar aankondiging Dit is de laatste keer dat je me ziet.  Woorden die blijven dreunen en voortleven in zijn hoofd, net als zijn moeder. De moeder van Van Dis is geen hartelijke, beminnelijke  vrouw, en ook de moeder van Maarten ’t Hart vertoont bijzonder eigenaardige, koele karaktertrekken. Toch merk je dat beide kinderen hun moeder geweldig ontzien en uiteindelijk een liefdevol portret maken waarin hun moeder voortleeft. Geen van beiden lijkt ooit onthecht, van loslaten is het nooit gekomen. Ik kom terug had evengoed Ik blijf  kunnen heten. Arnon Grunberg  schrijft in het artikel Over moeder worden in De Morgen: Alleen nu ik zelf mijn moeder ben geworden, kan ik niet meer zeggen dat ik op haar wacht. Ik wacht op mezelf. Ook Adriaan Van Dis en Maarten ’t Hart wachten voortaan op zichzelf. Net zoals zovele anderen die hun moeder verloren.

Ik kom terug van Adriaan Van dis is uitgegeven bij Uitgeverij Augustus en kost 19,99 euro Magdalena van Maarten ’t Hart is uitgegeven bij Uitgeverij De Arbeiderspers en kost 19,99 euro

Knipsel

 

 

 

Wachten

Ik ben ruim een uur te vroeg in de luchthaven. Overmorgen is het kerstavond. En nu al heeft deze hal iets desolaats. Kerstmis is familie, geen luchthaven. Bij gebrek aan familie is vluchten een optie. Onze optie. Ik zit hier te wachten tegenover een Relay shop. Be generous, be cool, be positive, be curious, be zen, be happy. Relay verwacht wel heel erg veel van zijn klanten. Een uur wachten in de stank van hamburgers. Ik ben nog steeds in Bruel-stemming. Hij dringt aan, in mijn oren. Hoe weersta je een uur? Ik heb geen talent voor wachten. Naast mij zit een kaki-man te lezen. De krant. Ik vraag mij af wat hij met Kerst doet. Kaki. Hij heeft allicht een missie.
Een uur wachten. In de luchthaven eet men meer friet dan dat men kust. Vreemd. Reizigers worden opgewacht door hun geliefden om zich dan te vergrijpen aan die vettigheid. Ik begrijp niets van de wereld. Van wachten evenmin. En frieten moet ik niet.
Reizigers intrigeren mij. Achter iedere reiziger een verhaal – minstens één. Ik hou van verhalen, maar niet van wachten.
De kaki-man loenst een beetje. Zijn krant uitgelezen. En nu wacht hij. Net als ik. We praten niet. Ik doe niet aan praten. Bruel zit immers in mijn oren. Ik heb mijn handen vol met luisteren. De kaki-man sluit zijn ogen. Ik begrijp hem. Wie zou er in zijn oren met hem flirten? Of is hij gewoon doodmoe van al dat kaki-gedoe? Het zijn kaki-tijden in dit land. Straks trekken wij naar een ander land, naar ons land, naar Parijs. Parijs is niet kaki, maar rood – dieprood. Parijs is liefde, Parijs is warm, Parijs is Patrick Bruel, Parijs wacht niet. Maar tot dan wacht ik. In de luchthaven. De kaki-man draait met zijn vingers. Hij verveelt zich. Op wie zou hij wachten?
Nog een half uur. De kaki-man schrikt op van zijn eigen gekuch. Hij staat op en verzamelt zijn spullen. En dan zie ik het. Een oudere vrouw komt naar hem toegelopen, zijn moeder ongetwijfeld. Mooi. Soms kan zelfs kaki een glans krijgen.
Ik wacht nu. Alleen. Met Bruel. Op mijn zoon. Ik stel mij zijn glimlach voor als hij straks door de poort komt. Doodmoe allicht. En gejaagd om zijn grote verhalen te vertellen. Grote blauwe ogen die stralen en een mond die te vlug beweegt. Hij zal honger hebben. Hij heeft altijd honger. En niets zal snel genoeg gaan.
Het wachten duurt nu niet lang meer. Ik trek Bruel uit mijn oren. Mijn zoon wint het van Bruel. Van eender welke Bruel. En daar is hij dan: mijn jongen, waar ik op wachtte.

20151222_145402 (2)