Een klein leven

Ik lig al uren te woelen. De kerkklok slaat drie keer. De nacht duurt niet lang meer. En ik denk aan Jude, één van de personages uit Een klein leven van Hanya Yanagihara. Jude laat mij niet meer los, zijn pijn is mijn pijn, zijn angst de mijne, zijn gedachten neem ik over, zijn rouw ken ik. En dan bakt hij koekjes en taarten. Vaak ’s nachts. Ik lach. Kneden als een vorm van mindfulness of therapie.

Hij zorgt dat er altijd bloem in huis is, en suiker, eieren en gist, en terwijl zijn baksel van die nacht in de oven staat gaat hij aan de keukentafel zitten werken, en tegen de tijd dat het brood of de cake of de koekjes (…) klaar zijn is het al bijna licht, en dan kruipt hij in bed voor een paar uurtjes slaap voordat zijn wekker gaat.

Een klein leven vertelt over vier vrienden die elkaar leerden kennen aan de universiteit: William, de acteur, Malcolm, de architect, JB, de beeldend kunstenaar, Jude, de advocaat. Jude werd ouderloos opgevoed, seksueel en fysiek misbruikt en sleept zijn wonden en trauma’s met zich mee. De vier verkrijgen in hun professionele leven allemaal succes, maar worden op persoonlijk vlak zwaar op de proef gesteld. Centraal staat hun vriendschap, om alle ellende heen.
Een klein leven laat zich niet samenvatten in het bestek van een blogpost. Een klein leven is een wreed boek, maar terzelfdertijd zo hartverwarmend. ‘Het boort door je ziel’ – belooft de flap, en zo waar als dit maar kan zijn, is mijn ziel doorspekt. Het boek maakt je bondgenoot van zoveel verdriet. Een verdriet dat het jouwe aanwakkert, tot leven brengt. Je wordt als lezer niet gelukkig van Een klein leven, maar des te verbaasder over het literaire meesterwerk dat deze roman toch wel is.
Een klein leven brengt je in een danige roes, naar een leven buiten jezelf waar je op de duur naar verlangt en ongelukkig wordt van het eindige van deze roman. De laatste honderd bladzijden (het boek telt 750 bladzijden) heb ik traag gelezen, om het afscheid uit te stellen, zeg maar. Een uitgesteld afscheid dat Een klein leven domineert en duidelijk maakt dat tijd niet alle wonden heelt. Maar dat wist ik al.

In de afgelopen jaren heeft hij een ontwikkeling doorgemaakt van zich schamen als hij huilde, tot continu huilen als hij alleen was, tot huilen waar Willem bij was, en nu, in het laatste stadium van het verlies van zijn waardigheid, tot huilen op elk moment, waar wie dan ook bij is, naar aanleiding van wat dan ook.

Een klein leven van Hanya Yanagihara is uitgegeven bij Nieuw Amsterdam en kost 24.99 euro.

9200000050670959

Het stekje is een plant geworden

De zon haalt het van de koude en creëert mooie lichtvlekken op de gordijnen. De planten op de vensterbank genieten van het licht en de verwarming. Ze groeien – als kolen.
Afscheid nemen is mijn fort niet. Meer nog, ik kan het gewoon niet. Ik wil altijd op één of andere manier een voet in huis blijven hebben. En zo sneed ik een takje van een oude plant af. Niet eens een stekje, maar een willekeurig stukje groen dat ik wou meenemen en een nieuw leven geven bij mij. Ik verzorgde de wonde en zette het takje in wat water. Om te aarden, en om wortel te schieten. Enkele weken liet ik het zo staan in de keuken en keek er soms wat minzaam naar – in gedachten wat ik achterliet. Of gewoon om wat herinneringen op te halen. Ik twijfelde eraan of het takje zijn nieuwe omgeving zou mogen. Maar het verkleurde niet en bleef trots in het vaasje staan. Tot ik vond dat het stilaan wat aarde en een potje verdiende. Met zorg, met liefde zelfs plantte ik het in een plastic potje en zette het in een dieprode cache-pot. Regelmatig gaf ik het wat water, soms wat extra potgrond. En uiteindelijk ging het zijn eigen weg. Ik zag een soort van roodachtig blad verschijnen, dat zich ontwikkelde tot een volwaardig nieuw lichtgroen blad. Het stekje is een plant geworden en schittert op mijn vensterbank. Het plantje leeft, eigenzinnig, zelfstandig, met een verleden, en met een heel leven voor zich. Ik ben er geweldig trots op.

 

 

Over moeders, die blijven leven

Verschenen in De Bond van 29 januari 2016

Afscheid nemen van je moeder. Hoe doe je dat? Is afscheid überhaupt mogelijk? Hou je door je eigen leven, door je herinneringen haar levend? Of is dat slecht een wens, tegen beter weten in, van een eeuwig rouwend kind? Adriaan Van Dis en Maarten ’t Hart schreven afgelopen jaar een boek over hun overleden moeder. Om afscheid te nemen, om af te rekenen, rouwend, uit liefde of was het om een verhaal te maken, een verhaal om de waarheid draaglijk te maken? Een verhaal over een nieuw  of ander leven. Adriaan Van Dis: Ik zou haar een papieren leven geven, of nog beter : een nieuw leven. Een leven waarin ze weer goed kon lopen, haar lippen kleurde, wijde rokken droeg of haar vuurvaste mantelpakken. Een dansende moeder wilde ik opvoeren, een knokkende moeder. De sterke vrouw uit mijn jeugd.

Ik blijf
Ik kom terug, de roman van Van Dis, verzamelt  de verhalen van zijn moeder.  Ze verbreekt de stilte in ruil voor een zelfmoordpil.  Ze sterft uiteindelijk tijdens Van Dis’ afwezigheid. Hij ziet haar niet meer terug.  Of toch. Ze komt  terug: om tevreden te knikken bij hetgeen hij over haar schrijft.  In Magdalena van Maarten ’t Hart sterft zijn moeder na haar aankondiging Dit is de laatste keer dat je me ziet.  Woorden die blijven dreunen en voortleven in zijn hoofd, net als zijn moeder. De moeder van Van Dis is geen hartelijke, beminnelijke  vrouw, en ook de moeder van Maarten ’t Hart vertoont bijzonder eigenaardige, koele karaktertrekken. Toch merk je dat beide kinderen hun moeder geweldig ontzien en uiteindelijk een liefdevol portret maken waarin hun moeder voortleeft. Geen van beiden lijkt ooit onthecht, van loslaten is het nooit gekomen. Ik kom terug had evengoed Ik blijf  kunnen heten. Arnon Grunberg  schrijft in het artikel Over moeder worden in De Morgen: Alleen nu ik zelf mijn moeder ben geworden, kan ik niet meer zeggen dat ik op haar wacht. Ik wacht op mezelf. Ook Adriaan Van Dis en Maarten ’t Hart wachten voortaan op zichzelf. Net zoals zovele anderen die hun moeder verloren.

Ik kom terug van Adriaan Van dis is uitgegeven bij Uitgeverij Augustus en kost 19,99 euro Magdalena van Maarten ’t Hart is uitgegeven bij Uitgeverij De Arbeiderspers en kost 19,99 euro

Knipsel

 

 

 

Blue Wednesday

Als blue Monday al bestaat, dan kan deze woensdag als serieuze concurrent van die deprimerende maandag doorgaan. Woensdag is mijn vrije dag en in principe kan alles dan wat trager. Ik moet ook niet midden in de nacht uit bed om de trein te halen. Nadat ik mijn zoon naar school gebracht heb, is er tijd voor koffie, de krant, extra lang in de badkamer met peelings en maskers – niet dat dat iets uithaalt, maar het idee van wat verwennerij stemt mij meestal goed.
De postbode gooide vandaag – niets vermoedend – roet in het eten. Hij belde aan – met een pakje. Cadeautjes maken mij blij. Echt waar. Het pakje dat hij vandaag bij zich had, maakte mij weemoedig. Het onthulde een Maria-beeldje en een soort van superklein pillendoosje in de vorm van een koffertje met binnenin een Maria-afbeelding. Afzender was een kloosterzuster, een vriendin van mijn moeder.  Tussen inpakpapier, strikjes en Maria zat ik aan de keukentafel te snikken. Daar ging het effect van mijn masker. De zuster denkt vaak aan ons en dat ontroert mij, keer op keer.
Ik fatsoeneerde mij wat en ging daarna naar de bakker. In de winkel, achter de toonbank, stond de schoonmoeder van de bakker. Een hartelijke vrouw die om één of andere reden aan mijn moeder doet denken. Ze vroeg of er veel sneeuw in Brussel was, want dat had ze gehoord in het nieuws en ze had aan mij moeten denken. Weer groeide die krop in mijn keel. Behalve mijn zus, zijn er niet echt veel mensen meer die met mij inzitten. We klagen samen wat over het winterweer en de gladde wegen. Als ik weg ga, zegt ze: let op hé meisje. Ik hou het echt niet meer en verlaat wenend de bakkerij.  Teveel bekommernis doet mij huilen. In feite doet vandaag alles mij wenen. Ik heb een overschot aan tranen. Als ik later bij de groenteboer sta en zijn dochter vertelt dat ze in dit weer niet durft autorijden, maar dat haar vader zal rijden, dan neem ik het haar bijna kwalijk dat zij nog ouders heeft. Nee, het is echt mijn dag niet.
’s Middags stort ik mij op een troostkoop. Om de pijn wat te verzachten. Morgen is gelukkig weer een dag.

Famke

Januari is mijn maand niet. Winter, koude, korte, donkere dagen, de zomer die nog zo veraf is. En dan komt die zesentwintigste er aan – de dag waarop mijn moeder stierf. In mijn agenda fiets ik om die datum heen. Al weken op voorhand ben ik hierop gefixeerd: alles vertalen naar zoveel dagen voor of zoveel dagen na de zesentwintigste. De eerste maand van het jaar duurt zo verschrikkelijk lang. Ook februari sleept zich voort tot pakweg de derde week. Daarna verjaart Famke, het dochtertje van een vriendin, dan starten de voorjaarskoersen, volgt heel snel de primavera en ziet de wereld er heel anders uit. De lente maakt van mij een ander mens. De zon ook. Dalida zingt: Soleil, soleil, j’irais où tu iras. En dat is onvermijdelijk het zuiden. Het zuiden heet mijn geluk.
Maar eerst moeten we nog die kille weken door. De mama van Famke was hoogzwanger op de begrafenis van mijn moeder. Een beeld dat in mijn geheugen gegrift staat. Van de geboorte van Famke heb ik nauwelijks kunnen genieten. Ik was ver van deze wereld, van het leven ook. En toch is Famke heel erg verbonden met mijn moeder. Ieder jaar, op haar verjaardag, weet ik dat we de ergste weken achter de rug hebben en dat haar jonge leven leidt naar de zon. Famke symboliseert voor mij behalve nieuw leven, hoop. Hoop op een toekomst zonder, en toch ook steeds met mijn moeder.

 

Place de Clichy

Beste lezer,
Dit is mijn bijdrage voor de wedstrijd van uitgeverij De Bezige Bij.
Veel leesplezier.

Knipselclichy

De hemel is verdeeld in arrondissementen en lijkt heel erg op Parijs, hetgeen mij uiteindelijk niet verwondert. Dat had ik kunnen weten. Parijs leeft hemels. Een chauffeur wacht mij op in een decadent lange wagen. Vastberaden. Hij heeft een plan. Mag ik dan alsnog op audiëntie bij God? Hij draagt een zwart pak en smetteloos witte handschoenen. Een steriliteit die fel afsteekt bij de stad die ik ken. In een accentloos Frans legt hij mij uit dat hij mij naar de Opéra rijdt. Opera is niets voor mijn moeder, niet haar stijl.  God neemt mij in de maling. In de rue de Scribe, aan de Opéra Garnier, houdt hij halt – op een denkbeeldige parkeerplaats enkel toegankelijk voor goden, Italianen en chauffeurs van God dus. Ik ga naar het Concert Symphonique van Patrick Bruel luisteren, zegt hij op een betweterig toontje. De chauffeur drukt een ticket in mijn handen. ‘Votre mère vous attend.‘ Goddelijk.
Wat bevreesd, aarzelend ook en enigszins ijlend stap ik dat prestigieuze gebouw binnen. De grandeur van de opera komt mij tegemoet. Een concert van Patrick Bruel, of Patrick Bruel tout court neigt wel naar mijn hemel, maar tref ik hier, in dit decor van glorie, mijn moeder? Is er een link tussen deze Franse chansonnier en mijn moeder? Ik herinner mij geen enkele anekdote noch groot verhaal over Bruel. Ze hield van het Franse chanson, dat wel, van Hervé Vilard, van Dalida, van Adamo, maar van Bruel? Was ze daar niet te oud voor? Mijn ticket geeft mij de beste plaats in het theater. Zelfs in de hemel doet men aan V.I.P. en is de rijstpap voor de één wat geler dan voor de ander. Naast mij blijft de stoel leeg.
Mijn moeder stierf vijf jaar geleden. Zonder adieu. Zonder laatste gesprek. Een herseninfarct werd haar fataal. Ik bleef verweesd achter. Het nooit plaatsgevonden laatste gesprek werd een obsessie, een dwangmatig moeten, het gebrek aan afscheid een mislukte onthechting. Afgelopen Kerst werd mijn wens gehoord. Onder de kerstboom lagen er twee pakjes. In het ene zat de toegangscode tot de hemel  verpakt. De sleutel tot het laatste gesprek.
Het publiek is opgetut, met klasse, zoals het in een opera hoort. Ouder ook. Bruel raakt alle leeftijden en deze generatie zakt allicht moeizamer af naar een stadion. Dit operaconcert lijkt mij een perfecte marketingstunt. Of toch niet. Dit zijn mensen die in mijn wereld al dood zijn en in deze hemel verder  feesten. Natuurlijk zijn ze ouder. Bruel zelf ook strak in het pak. Hij ziet er goed uit. HIj is kleiner dan ik dacht. Hoe beweegt iemand zo’n groot publiek? Bruel heeft alles van een Fransman. De looks, de gestes, de praat – vaak over heel erg weinig. Hij komt er mee weg. Frankrijk aanbidt hem. Als kleine uk kwam hij met zijn moeder van Algerije naar Parijs. Zijn moeder heeft een plaats in de loge. Ze is op bezoek in de hemel, net als hijzelf. De special guests van God. Hij praat over zijn mama. Zijn respect doet zeer. Het liedje Raconte-moi is over en voor haar. Tranen maken mijn zicht nog meer troebel. Wat doe ik hier tussen deze levende lijken? Waar is mijn moeder?
‘Dit liedje is voor u, Madame, u weet waarom’, zegt Bruel en richt zich tot niemand in het bijzonder. Hij aarzelt even.  Het symfonisch orkest zet de eerste noten van Adieu in. Heeft Bruel het tegen mij? Gooide mijn moeder het op een akkoordje met deze Franse ster ? Praat ze via hem? Moet hij de klus dan maar klaren, zingt hij de laatste woorden?  Moet ik het daarmee doen? Mijn moeder is geen lafaard, Bruel geen verrader. Waarom gaat ze mij uit de weg? Adieu – Je n’ai plus de questions – Mes yeux sont abîmés- Mon cœur perd la raison. *
Een zinsbegoocheling, een kortsluiting van mijn brein, hooguit een farce. Meer is deze transcendentale toestand niet. Mijn geloof in de hemel heeft nooit bestaan. Hoe ver was ik heen om mij door deze fantasie te laten leiden? Muziek van Bruel die mij altijd zo gelukkig kon maken, die mijn humeur van historische dieptepunten tot euforische hoogtes kon brengen, zou ik voortaan steeds associëren met deze goddelijke trip. Misschien is dat nog de ergste straf. Boetedoening voor mijn opportunistische geloof in een hemel.
Het praten in mijn hoofd met mijn moeder begon direct na haar overlijden. Ik praatte met haar via een stemmetje dat leefde in mijn gedachten. Eerder gevoerde gesprekken zette ik verder, herhaalde ik tot ik wenselijke versies bekwam. Ieder gesprek met eender wie was een stencil. Ik raakte niet verder. Zou niet verder raken zonder dit laatste gesprek. Het stemmetje was mijn moeder niet, evenmin mijn geweten. Ik overschatte afscheid. Ik dacht dat afscheid nemen mogelijk was. Niet dus. Je neemt geen afscheid van je moeder. Je wordt je moeder.

Het weer in Parijs dat eerder op de dag zo hemels leek, is omgeslagen en de nacht guur. Ik dwaal door de stad. Op zoek naar iets dat ik niet kan vinden. Er is geen chauffeur meer te bekennen, laat staan een bestemming.  De Boulevard Haussmann boezemt mij angst in. Deze brede weg geeft de wind vrij spel. Ik struikel bijna. Een bedelaar ligt op een opengescheurde kartonnen doos met een goedkope fles wijn naast hem, in zichzelf te praten. Of te foeteren op de wereld. Wie zal het zeggen? Ik sla rechts de Rue de Rome in. De etalages van de vele muziekwinkeltjes die mij anders charmeren, staan mij nu tegen. Mijn verwachtingen waren irreëel en uiteraard niet ingelost. Het is niet anders. Ik word moe van mijzelf. Hoe had ik kunnen hopen mijn moeder te ontmoeten? Wat bezielde die chauffeur, waar kwam zijn valse belofte vandaan?
De koude neemt het van mijn denken over. Ik huiver. In de buurt van het Gare de Lazare is nog aardig wat volk bijeen. Warme koffie zou soelaas kunnen bieden. Ik loop door. Weg van de menigte. Ik kom uiteindelijk aan het Place de Clichy. Een plein waar behalve het achtste, negende, zeventiende en achttiende arrondissement, ook veel culturen samen komen. Ik hou van dit plein. Het monument stelt maarschalk Moncey voor,  Moncey die Parijs verdedigt. Een open plein en toch een veilige burcht. De vele winkeltjes in de Avenue Clichy zijn nog open. Kraampjes met een amalgaam aan goedkope spullen. Misschien vind ik hier wel handschoenen. Mijn handen gloeien van de koude. Bij een Pakistaan die allerlei textielwaren etaleert, stap ik binnen. Aan de geïmproviseerde toonbank staat mijn moeder, met een paar blauwe lederen handschoenen in haar handen. Zonder iets te zeggen geeft ze ze aan mij. Veel verder dan mijn lippen van elkaar brengen, kom ik niet. Ik stamel tenslotte ‘Merci’ – zonder haar blik los te laten.

Nerveus open ik het tweede pakje dat onder de kerstboom ligt. Het strikje wringt wat tegen. Mijn ongeduld scheurt het fraaie inpakpapier dat een paar blauwe lederen handschoenen onthult. Ze voelen warm aan.