Koffie

Ik hou van koffie. Je zou kunnen zeggen dat ik het drankje met de moedermelk binnenkreeg, maar dat klopt niet. Of het zou een latte moeten geweest zijn. Koffie, goede koffie is een traditie en hoort onlosmakelijk bij het ochtendritueel. Koffie biedt een houvast, een kader. Een dag begint met koffie – en ook wel met mijn contactlenzen insteken. Een dag kan nog beter worden met een lekkere koffie op de juiste plaats. Koffie: het is mijn grote liefde.

Als kind herinner ik mij hoe affiches van een koffiemerk in het kruidenierswinkeltje van een tante van mijn moeder hingen. Het waren heel mooie affiches. Ze hadden iets vertrouwds, iets warms. Ze straalden een vorm van geborgenheid uit. Ik was nog een klein kind, ik dronk nog geen koffie, maar ik was gefascineerd door die prenten. Dat is lang geleden.
Een paar weken geleden trof ik diezelfde koffie aan in een koffiebar in Moeskroen. Storme koffie. Mijn hart maakte een sprongetje. Ja, mijn hart maakt nogal rap sprongetjes, maar ik raakte bijzonder geïntrigeerd door die Storme koffie. Ik zocht en vond.
Ik ontmoette de zoon van de patron. Een vijfde generatie Storme. Een ondernemende jongeman die gepassioneerd is door koffie. Een jongeman die een verhaal maakt. Een vernieuwend verhaal. En natuurlijk behoort koffie ook tot zijn ochtendritueel. ’s Morgens drinkt hij een espresso. Maar op het werk drinkt hij koffie waar hij echt van houdt, een iets mildere koffie, een koffie die hem aan zijn moeder doet denken, aan thuis. Dàt is koffie. De jongeman wist natuurlijk niet hoezeer hij mij emotioneerde met dat verhaal. Bij momenten kan ik de geur van de koffie die mijn moeder zette, nog ruiken. Wat zou ze blij geweest zijn dat ik Storme koffie uit Moeskroen drink. En heel zeker zou zij nog veel meer verhalen kunnen vertellen over hoe het vroeger was. Vroeger, daar in Moeskroen.

 

Logo Storme 2017

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn facebook-pagina of volg mijn instagram-account

Advertenties

Canella

kaneel

‘Canella’ zegt de man trots als ik hem vraag hoe kaneel in het Grieks klinkt. Ik had het kunnen weten: stokje, natuurlijk. De zakjes kaneel liggen op een bestoft schap in een donkere hoek van de winkel. De supermarket is in zijn hele amper verlicht. De vrees voor een hoge elektriciteitsfactuur verklaart de duisternis. De man lacht, hij is blij met een enkele toerist. En nog blijer als ik woordjes wil leren. Ef charisto betekent dank je wel – charmeert hij verder. Zelfs dat wist ik niet. Zijn vrouw bekijkt het schouwspel van op afstand. Het winkeltje is gelegen langs de zee en kende vroeger allicht een groot succes. Een shop voor de toeristen. Toeristen die er nu nog amper zijn. Een meisje dat in een plaatselijk restaurant werkt, verklaart dat de reizigers veelal Grieken waren, die nu wegblijven omwille van de crisis. En verder zijn er nog Duitsers en Oostenrijkers die hier decennia geleden huizen kochten en verbouwden. Haar lichaamstaal verraadt hetgeen ze hier van vindt.
Bij de bakker ruikt het onvermijdelijk naar kaneel. Het aanbod is heel beperkt. De vrouw des huizes is aan het lezen. Een heel dik boek. Om de dag door te komen – vermoed ik. Ze spreekt geen Engels en ik geen Grieks. Toch begrijpt ze mij als ik vraag om het soortement van stokbrood te snijden. Ik loop door en ga terug naar mijn nieuwe vriend van de supermarket, waar ik een mes koop. Om brood te snijden.

In mijn valies heb ik een speciaal vakje: het kaneelvak waar ik mijn zakjes kaneel verzamel. Ik hou van die specerij. De geur gaat naar mijn kindertijd, naar de keuken van mijn moeder. Niemand kon klaaskoeken bakken zoals zij dat kon. Met kaneel, veel kaneel. De geur is een parfum van geluk, van jeugdsentiment, maar ook van heimwee, van gemis. Als ik thuis de zakjes kaneel uit mijn valies haal, merk ik weer dat heimwee. Een ziekelijk verlangen naar een land waar ik mijn hart verloor. Kaneel maakt mild, leerde ik onlangs. Dat vind ik bijzonder. Zou dat de verklaring zijn voor de uithouding van de Grieken in die slepende crisis? Of is het eerder de passie, de liefde die ze voor hun land voelen, een passie die ook uit kaneel spreekt? Cinnamon is bitter and sweet, just like a woman, the way to everyone’s heart – klinkt het in A Touch of Spice. Of is het dan toch omdat ze – zoals de apotheker op weg naar Mycene verklaarde – strong people zijn?

Benidorm

Heel wat jaren geleden vertrok mijn moeder op vakantie naar Benidorm. Met een verre nicht. We hadden kunnen weten dat dit idee fout was. Vakantie in een ander land dan Frankrijk betekende voor mijn moeder een vorm van verraad. Op reis gaan met iemand anders dan één van haar kinderen betekende dit evenzeer. Toch had ze zich laten overtuigen. Hoe hard ik ook mijn best doe, ik kan mij niet meer herinneren wat die doorslaggevende argumenten moeten geweest zijn. Naar Benidorm dus. 10 dagen. De verre nicht was er al enkele keren geweest en bon, Benidorm heette zowat het paradijs. Wij, de kinderen, deden smalend over Benidorm. Mijn moeder was de cultuur van Frankrijk gewoon, geen paradijs noch kitscherig strand. En al zeker geen Nederlandssprekende lokale bevolking.
De eerste postkaart die we kregen, gaf een teken. Een strand, veelkleurige strandstoelen en parasols, nog meer kleurige letters. Zelfs die kaart kon bezwaarlijk het idee zijn van mijn moeder. Ze deed niet aan op het strand liggen. Een dorpje bezoeken, iets drinken, wat eten, een praatje maken, wat rondrijden – dat allemaal wel. Maar op een strandstoel liggen zonnen? Ik heb haar dat nooit zien doen. Iedereen was het er over eens: de reis en de postkaart vielen tegen. De dagen duurden lang. Ook voor ons, de achterblijvers. Ik kon nauwelijks het reisverslag afwachten.
De dames keerden van de luchthaven met een busje terug naar huis. Het idee alleen al… We stonden in de living door het raam te kijken en probeerden iets van de blik van mijn moeder op te vangen. Het leek iets tussen ergernis en gelukzaligheid. Heel precies konden we de emoties niet duiden. De nicht was al eerder aan haar huis afgezet – heel gemakkelijk dat luchthavenvervoer – en mijn moeder stapte binnen en deed de voordeur dicht. Wij, bijna in koor: ‘En?’ Het waren niet haar eerste woorden, maar heel vlug volgde: ‘dat nooit meer’. Benidorm stond zoals verwacht, gelijk aan zon en strand, veel Belgen, neplederen handtassen, blingbling kettingen en marktjes. Mijn moeder had graag ook het oude gedeelte bezocht, maar de nicht hield van marktjes en blingbling. Veel eerder dan ontspannen gaf mijn moeder een nerveuse indruk. Veel praten om de ergernis te ventileren. Tja, Benidorm.
Ik moet aan deze reis terugdenken als ik in Iedereen Beroemd de verslagjes van Belgen in Benidorm bekijk. En ook nu weer begrijp ik dat Benidorm niets voor mijn moeder kon zijn.

Minder en beter

cropped-11794376_1630635077214321_2186907748551055537_o.jpgDe weg van Privas naar Aubenas kronkelt. De zon staat hoog aan de hemel – te pronken – met een air van: ja, ja, in het zuiden kan je mij aanschouwen. Ik lach – meer dan in België. Bienvenue en Ardèche. Ik hou van deze streek, van het zuiden van de Ardèche in het bijzonder, van Les Vans. Als we de kraampjes met vers fruit van de plaatselijke boeren voorbij rijden, voelt dit aan als ja, thuiskomen. Hier, op deze plek, zou ik kunnen aarden. Bewoners leven voor een groot stuk van wat ze zelf oogsten: fruit, groenten, kruiden. Ze maken confituur, olijfolie, tapenade, wijn, fruitsap; hun potager tovert de heerlijkste gerechten op tafel. Vers, authentiek, recht van het veld.
Toen ik kind was, leverde de melkboer bij ons thuis de melk en zuivelproducten. Verschillende bakkers passeerden, brood en pistolets kwamen van bij de bakker, vlees van bij de slager, kippen van bij een pluimveekwekerij, echte boter van op de boerderij, groenten van bij de boer. Heerlijk en toen heel evident en ook lang geleden. Vandaag is de lokale handel heel wat minder vanzelfsprekend. Warenhuizen slorpten plaatselijke winkels op, boeren krijgen amper geld voor hun waren, brood wordt in fabrieken geproduceerd . Niets is nog wat het lijkt. Alles moet veel, groot, in folie verpakt  en goedkoop zijn, ten koste van de kwaliteit. Ik betreur dit ten zeerste. Wat is nu beter dan een op een steenoven gebakken boerenbrood, wat kan concurreren met een echt geel-oranje eierdooier in het beslag, wat kan op tegen melk die naar melk smaakt, hoe weersta je confituur die vol fruit, en veel minder suiker, op je boterham drupt, wat is aantrekkelijker dan de smaak van de plaatselijke wijn uit een pichet, hoe prikkelend is die olijfolie die van een salade een gerecht maakt, hoe delicieus is het vlees dat naar vlees en niet naar rubber smaakt, hoe aanlokkelijk zijn die geuren en smaken van zoveel echte kazen? Warenhuizen heten een gemak in tijden waar alles om tijd en geld draait. In grote hangars vind je alles, in grote hoeveelheden, aan een redelijke prijs bijeen. Van heel goedkoop naar wat duurder. Smaak heeft weinig met een warenhuis te maken, duurzaamheid evenmin.
Ik steun de lokale handel en wil pleiten voor minder, maar beter. Probeer het gewoon. Bak eens wafels met eieren en melk van bij de boer. Ik garandeer je smaak en succes.

Het stekje is een plant geworden

De zon haalt het van de koude en creëert mooie lichtvlekken op de gordijnen. De planten op de vensterbank genieten van het licht en de verwarming. Ze groeien – als kolen.
Afscheid nemen is mijn fort niet. Meer nog, ik kan het gewoon niet. Ik wil altijd op één of andere manier een voet in huis blijven hebben. En zo sneed ik een takje van een oude plant af. Niet eens een stekje, maar een willekeurig stukje groen dat ik wou meenemen en een nieuw leven geven bij mij. Ik verzorgde de wonde en zette het takje in wat water. Om te aarden, en om wortel te schieten. Enkele weken liet ik het zo staan in de keuken en keek er soms wat minzaam naar – in gedachten wat ik achterliet. Of gewoon om wat herinneringen op te halen. Ik twijfelde eraan of het takje zijn nieuwe omgeving zou mogen. Maar het verkleurde niet en bleef trots in het vaasje staan. Tot ik vond dat het stilaan wat aarde en een potje verdiende. Met zorg, met liefde zelfs plantte ik het in een plastic potje en zette het in een dieprode cache-pot. Regelmatig gaf ik het wat water, soms wat extra potgrond. En uiteindelijk ging het zijn eigen weg. Ik zag een soort van roodachtig blad verschijnen, dat zich ontwikkelde tot een volwaardig nieuw lichtgroen blad. Het stekje is een plant geworden en schittert op mijn vensterbank. Het plantje leeft, eigenzinnig, zelfstandig, met een verleden, en met een heel leven voor zich. Ik ben er geweldig trots op.

 

 

A.F.Th. van der Heijden

20151208_110603

We wachtten aan de verkeerslichten in de buurt van de Jacob Obrechtstraat. Mijn zus en ik. Het was nog rood voor de voetgangers. Daar stond hij. Tegenover ons – met een zebrapad tussen ons. Hij droeg een beige regenjas die wat fladderde. Zijn zwarte krullen evenzeer. De week erop zou ik hier terugkeren, om een gesprek met hem te voeren in functie van mijn proefschrift. Hij kende mij nog niet. Enkel van naam en wat brieven. Het licht sprong op groen en hij stak de weg over. Wij bleven staan. Toen hij vlak bij ons was, deden we nagenoeg een toertje rond hem – als was het een curiosum. Hysterisch eigenlijk.  Of puberaal – wat je wil. Hij zou het niet in de gaten hebben. We spraken hem niet aan.  Malevich –  de tentoonstelling in het Rijksmuseum – was het doel van ons bezoek. Ik was twintig en sloot Amsterdam in mijn armen. Van A.F.Th. van der Heijden hield ik al langer.
De cake geurde zoet toen ik een week later bij A.F.Th. van der Heijden koffie dronk. Het was 1 april 1989. Ik gedroeg me belachelijk nerveus. Ook nog toen we op witte wijn overschakelden. Ik noteerde quasi niets, ik zat enkel met open mond te luisteren. Vallende ouders was het eerste boek dat ik van hem had gelezen. En daarna verslond ik als een bezetene ook zijn andere werken. Na het gesprek  wandelde hij met mij mee naar het station en wees mij op de pillenbrug uit De Slag om de Blauwbrug. Alles leek mythisch. Mijn bewondering nam de vorm van dweperij aan.
Ik bleef A.F.Th. van der Heijden volgen. Ik las ook met plezier de boeken van zijn vrouw Mirjam Rotenstreich.  Het werk van van der Heijden was ja, een constante in mijn leven.
En toen stierf zijn zoon Tonio. Hij verjaarde op 15 juni, net zoals ikzelf; hij was 19 jaar jonger. Tonio werd slechts enkele jaren ouder dan die 19 jaar.
Het boek Tonio kwam uit toen ik zelf rouwde. Om mijn moeder.  Ik beschouwde Tonio als één van mijn rouwboeken. Ik las in die tijd ook David Grossman, Connie Palmen, Roland Barthes. Wat zocht ik in die rouwboeken? Troost? Een medicijn? In ieder geval iets dat ik niet vond. Nooit zou vinden. Ik bedacht dit gisteren toen ik Adri van der Heijden in De Wereld Draait Door zag – met zijn nieuwe boek De ochtendgave. Nu, veel jaren, boeken, successen, wijsheid en verdriet verder hou ik nog steeds van A.F.Th. van der Heijden. Even komt ook zijn vrouw Mirjam in beeld. Weer vallen mij die donkerbruine ogen op. Zulke mooie ogen waarin Tonio schittert.  Of zoals in de ogen van mijn zoon mijn moeder leeft . Het leven neemt soms een vreemde wending. De dood evenzeer.

Kom nu – of misschien toch wat later.

Ik was een jaar of twintig en mijn leven bestond uit studeren en boeken. Muziek ook. Ik hield van Lou Reed, maar evengoed van Henny Vrienten. Dat waren zowat de mannen in mijn leven. De liefde speelde zich toen al voornamelijk en bij voorkeur af in mijn hoofd. Onbereikbaar. Ik was een vaste klant op Rock Torhout. Zag daar Joe Cocker, U2, The Triffids, Peter Gabriel. Muziek kon mij absoluut gelukkig maken. Nu nog steeds. Voor mijn verjaardag kreeg ik dan al eens een LP cadeau. Mijn moeder stapte  kwiek naar Musica, een plaatselijke platenzaak, met een briefje in de hand: plaat van Lou Reed. Perfect days – zeker.
In die jaren kende het muziekprogramma Tien om te Zien een waanzinnig succes en daarmee de Vlaamse muziekindustrie. Het was niet geweldig mijn ding, maar je werd zodanig met die Vlaamse muziek om de oren geslagen dat iedereen de liedjes quasi van buiten kende. Kom nu van Helmot Lotti was zo’n nummer. Ik heb ooit eens bij de kapper, toen ik met mijn hoofd achterover in een soortement afwasbak lag, deze song luid mee gezongen. Het besef kwam pas later. Ik heb nooit geweten wat de kapper en de andere klanten daar precies van vonden. Schaamte overvalt mij nog steeds als ik er aan terugdenk. Ik was geen fan van Helmut Lotti. Zijn kleren zaten soms belachelijk ruim of onheilspellend strak, zijn fond de teint stak fel af. Nee, Helmut Lotti was niet de man in mijn leven. Van Will Tura hield ik wel. Een aantal jaren later fietste ik van Kortrijk naar Brussel, naar de begrafenis van Koning Boudewijn, om Will Tura Hoop doet leven te horen zingen. Die hoop bracht iets teweeg.
Nu, jaren later, is mijn liefde voor Tura nog steeds even groot. Helmut Lotti heeft intussen een betere styliste en meer smaak, de mannen of de liefde in mijn hoofd – wel, sommige zaken veranderen niet. Ik ben fan van Helmut Lotti geworden. Niet om zijn Kom nu, niet om zijn Tiritomba, maar wel om zijn recent uitgebrachte Faith, Hope & Love. Een prachtige song gebaseerd op de melodie van Hoop doet leven. Vreemd hoe de tijd verenigt. En daar heb je al eens vertrouwen, hoop en liefde voor nodig.

Groen en blauw

Ze zijn er in groen en blauw. En met velen. Nee, geen kerstbomen, maar de jongens die voor onze veiligheid instaan. Militairen en politiemannen. Jonge jongetjes zijn het. Verrassend jong. Ik heb er mee te doen. Het weer is barslecht tijdens deze dag die amper licht vindt. Ze staan wat onwennig ter plekke te trappelen met een veel te groot wapen. Ook zij zitten nu veel liever bij hun moeder warme soep te drinken. Groen en blauw op straat. Toch hou ik meer van kerstbomen.
Hoe moet het nu met de kerst? Zou kerst dit jaar afgelast worden? Kerst is druk, veel volk, gezellig, familie, feest, pakjes, vrede jawel. Een – laat ons zeggen – ideaal doelwit voor Daesh. Hoe beschermen we kerst? Zou Minister Jambon huis aan huis de kerstbomen bewaken? Ik weet het niet.
Wat ik wel weet, is dat ik ook dit jaar op zoek ga naar kerstkaartjes. Kleurige hebbedingetjes met veel variëteiten van Meilleurs voeux. Kerstkaartjes schrijven is Kerstmis op zich, een bezigheid die cultivatie verdient. Je denkt aan de mensen naar wie je zal schrijven, je slijt uren in de Fnac op zoek naar een authentiek plaatje want aan e-cards doe je niet, je bedenkt wat je die mensen wenst, je krijgt het warm van al die mooie woorden en je pent ze neer, je post het kaartje. Met wat geluk heb je de ontvanger verrast of ontroerd. Hoe blij kan een ritueel je maken?
Ik pleit in deze donkere tijden voor meer kerstkaartjes. In alle kleuren. Ik pleit ook voor kerstbomen op straat. En ik wens de groene en blauwe jongens een heerlijke kerst, thuis bij hun mama.

Tekens

De hond van mijn zus geeft tekens. Als hij op die zeldzame keer een avond alleen thuis is, blaft hij de hele buurt bijeen – tot grote ergernis van die buren. Hij houdt vol – tot hij niet meer alleen gelaten wordt. Krijgt hij koekjes, dan overlaadt hij mijn zus met waanzinnig veel liefde, die zij dan doorgeeft aan mij, want ik ben tenslotte de bakker van dat lekkers. Tekens, signalen zeg maar, zijn de vertolking van zijn gedachtengoed.
Wijzelf, mijn zoon en ik geven evenzeer tekens. We blaffen niet. Toch niet. Maar we sturen zeker signalen uit. We gaan in de kerstvakantie naar Parijs. Dat op zich is niet zo vreemd. We zijn zowat vergroeid met Frankrijk; we wonen aan de grens. Lille, Roubaix is onze chez nous. En toch is onze trip naar Parijs een teken. Omdat Parijs onze liefde is, en die liefde tonen we – blijven we tonen na die bloedige aanslagen. Ons teken betekent ook moed en hoop.  Ons signaal omvat een idee.
Met tekens geven zijn we niet alleen: president Hollande geeft zeker een teken als hij Daesh gebruikt in plaats van IS; Bart De Wever geeft beslist een teken als hij de betoging van een extreem -rechtse beweging toestaat; als mensen concerten organiseren en de opbrengst doneren aan een goed doel, geven ze een teken; als ik het rapport van mijn zoon ga afhalen met rechte schouders in een nieuw kleed, dan zit daar een boodschap achter, als mijn zoon op zijn liefste manier vraagt ‘en hoe gaat het met de moeder ?’, dan geeft hij een teken. Even veel ideeën als tekens.
Afgelopen vrijdag werden in Parijs 129 mensen gedood. Terreurdaden zijn geen tekens. Daar zit geen idee achter. Het is geweld. Alleen maar geweld. Terroristen doen niet aan tekens.