Bloggen en zo

Falderie nomineerde mij afgelopen week voor de Liebster Award, een soort van virtuele prijs die onder bloggers doorgegeven wordt. Ik was aangenaam verrast. Ze stelde mij een aantal vragen en ik, volgzaam als ik ben, antwoordde.

Wanneer en waarom ben je beginnen bloggen? Ik ben afgelopen jaar beginnen bloggen, in november. Ik vermoed dat ik uiteindelijk die stap gezet heb omdat ik een klankbord nodig had. Het formuleren op zich brengt heel wat inzichten en je publiek, je lezers zijn veraf en vrijwel onbekend. Die afstand geeft een zekere vrijheid, en gooit wat gêne overboord. Ik hou van verhalen, van les petites histoires, en via mijn blog kan ik die kwijt.

Elk blogbericht van jou moet iedereen gelezen hebben? Zeker niet. Het is fijn als mensen lezen en reageren op hetgeen je schrijft, als je hen kan raken, maar ik ga ervan uit dat veel zaken gewoon passeren omdat niet iedereen daarin geïnteresseerd is, of op dat geen moment geen tijd hebben om te lezen of whatever. Dat is ook niet erg.

Staat er een reis op het programma deze zomer? (Naar waar?) Er staat altijd een reis gepland. Minsten één. Op weg zijn is mijn ding. Reizen verruimt je blik. Deze zomer gaan we zoals zo vaak naar Valence en omgeving en dan later naar Griekenland.

Wat is je mooiste concertherinnering? The Triffids op Torhout, lang geleden, en vooral omdat Guy Mortier zei ‘Ook voor jou Marc’ (Mijlemans) en ik dan alweer moest slikken (Marc Mijlemans was kort daarvoor overleden); Will Tura op de begrafenis van Koning Boudewijn was ook zeer emotioneel. Ik ga nu niet meer echt naar concerten, maar ik hou wel enorm van muziek. Muziek kan mij bijzonder gelukkig maken, muziek biedt ook troost.

Lees je een krant? En welke? Ja, De Morgen en De Standaard. Ik lees ook online veel artikels uit andere kranten.

Wie is je grootste voorbeeld? Mijn moeder

Als je voor je bloglezers zou moeten koken, welk gerecht zou je voor ons maken? Dan zou ik iets bakken, klaaskoeken met veel kaneel.

Wat vind je het meest inspirerende citaat? ‘Het is niet omdat je leven moeilijk is dat het ook slecht is.’ van Christine Mussche.

Ikzelf zou Perfect Day for a Picnic willen nomineren en ik ben benieuwd hoe zij staat tegenover het zich bloot geven in een blog, waar zij een grens trekt.

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn Facebook-pagina: http://bit.ly/1qCGdrO

Advertenties

Goed volk

13043504_10208220219215192_1568747200914665575_nReisverhalen van Arthur Japin

Arthur Japin reist veel. En wie reist, komt al eens iemand tegen. “Reizen is zo verschrikkelijk belangrijk! Het maakt je vrij, open.” , vertrouwde Alberto Moravia Japin toe. In ‘Goed volk’ vertelt Arthur Japin over zijn bijzondere ontmoetingen.

The Dimi Brothers
Het boek zette mij aan het denken. Wie is mijn goed volk, over wie zou ik het hebben als ik een dergelijk werk samenstel? Ongetwijfeld over Dimitrios, de hoteluitbater uit Tolo, de man die zijn moeder zo mistte en mij de lekkerste appelsienen meegaf, die zorgde dat mijn rusteloze benen wat hoger konden liggen in mijn bed; het is ook de man met de vervaarlijke hoest, de man die eenzaam naar de zon keek. Ook de mémé uit Tyros, die ons uitzwaaide toen we naar Athene vertrokken, zou niet ontbreken. Net zomin als de vriend uit de Super Market wat verderop. Ik zou ook schrijven over Sandrine uit Les Vans, die mijn zoon van een kleine jongen tot een tiener zag opgroeien, over meneer uit Chagny die een Logis de France uitbaat en die ons na een helse tocht door nog helser weer trakteerde op veel verwarming en een heerlijke risotto, die zijn zieke vrouw bereid had. Ook over Denis zou ik het hebben, de man die zijn appartement in Barcelona aan ons verhuurde en ongegeneerd zijn hennepplanten op het terras liet staan. Ik zou ook lyrisch doen over de bakker van Paul in EuraLille, die met een gebroken been nog steeds liever bij zijn mecs in de bakkerij was dan thuis. Ik zou ook de bakker herdenken die ons, veertig jaar geleden, de heerlijkste appelflappen verkocht in Bastogne. Onze auto stond zowaar geparkeerd naast een tank. Mijn vader was daar waanzinnig in geïnteresseerd. Met een mond vol appel staarde ik naar die gevaarlijke tuigen. Ik zou ook schrijven over de patissier, vlakbij de Moulin Rouge, langs de Boulevard de Clichy in Parijs, wiens recept van pâte d’amande tot mijn dierbaarste schatten behoort. Ik zou ook uitweiden over de kok uit de Taverna To Steki in Tolo, die ons een heerlijk kaneelgebak serveerde – alleen aan ons, want we waren de enige gasten in dat ruime restaurant.
Dimi & Brothers: dat is mijn goed volk.

Arthur Japin en de hitte
Arthur Japin heb ik tijdens mijn reizen niet ontmoet. Of toch – tijdens een uitstapje, naar de boekenbeurs. Enkele jaren geleden ging ik met mijn zoon naar Antwerpen, naar de boekenbeurs. Met de trein en dan de tram. We kwamen aan in een overvolle, warme hal. Aan de vestiaire stond een lange rij mensen te wachten. Wij, zonder geduld, hielden onze jas dan maar aan. De hitte in die zalen benam ons alle energie. Elk een boek dan maar. Mijn zoon wou een nieuwe Geronimo Stilton en ik wilde een ‘mooie’ roman. Het werd ‘Zoals dat gaat met wonderen’ van Arthur Japin. Hij was er zelf ook, maar ik had het veel te warm om het boek te laten signeren. Later speet het mij – dat ik de hitte niet getrotseerd had om toch op zijn minst een praatje te maken. Het dagboek is één van de meest bijzondere boeken in mijn boekenkast geworden. En andere boeken van zijn hand waren al eens mijn reisgezel.

Goed volk
In korte verhalen en notities van over de hele wereld en door de jaren heen schetst Arthur Japin zijn ontmoetingen met enkelingen die hun eenzaamheid tot schitterend gebrek maakten. Vorsten, zwervers, politici en koninginnen van de nacht, maar ook schrijvers kruisen zijn pad. Eén van de meest aandoenlijke passages van het boek vind ik de ontmoeting met de zus van Susan Sontag, Judith Cohen, meer bepaald als Ben (Moser) aanbiedt om de as van haar gestorven man op te halen.  Ook de boottocht van Japin met zijn ouders liet mij niet onberoerd.
Verrast en helemaal niet voorbereid was ik toen Anil Ramdas het boek binnenwandelde.  De betreurde Ramdas kleurde zeker mijn studententijd. We hadden wel wat gemeen – niet in het minst een kwalijke arrogantie en betweterigheid. Maar Ramdas liet zich ondanks een buitengewone intelligentie, foppen door zijn zwakte. Het betekende zijn ondergang. Doodjammer vind ik dit, nog altijd.
In Zuid-Afrika was Arthur Japin met Anil Ramdas te gast op een soort van literaire manifestatie. Ramdas wond zich – naar goede gewoonte – allicht nogal op in zijn betoog. En ook hier ziet Japin klaar: “Nog altijd verzet hij zich om maar niet thuis te hoeven komen.” De eeuwige vlucht van Ramdas is inmiddels ontaard in een eeuwige rust.
Literaire manifestaties zijn vaak de aanleiding van de ontmoetingen. Japin houdt niet van grootspraak, van gekunstelde groepen evenmin. Ook hierom apprecieer ik hem. Een andere keer vormen zijn personages het uitgangspunt van een reis. Kwasi en Kwame, ‘De zwarte met het witte hart’ zijn nooit ver weg.

‘Goed volk’ ontlokt Arthur Japin bijzondere ontmoetingen, maar evenzeer mooi zinnen. Zinnen die je onder het vel blijven zitten. Zinnen die je verdere zijn bepalen. Goed volk koester je, het boekje evenzeer.

‘Bij alles wat je overkomt en waarbij je nu denkt, waarom gebeurt mij dit? Moet je eens denken: waarom ook niet? Waarom zou mij zoiets ook eigenlijk niet gebeuren?’

‘Goed volk’ van Arthur Japin is heel mooi uitgegeven bij uitgeverij Magonia en kost 17,95 euro.

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn Facebook-pagina: http://bit.ly/1qCGdrO

Voorbereidingen voor een moederdag zonder moeder

12662691_1692283084382853_4726166045024050226_nIk wil een brief schrijven. Een brief aan mijn moeder. Maar dat gaat niet. Mijn moeder stierf vijf jaar geleden. En toch is dit mijn ultieme wens, een brief schrijven, nog één keer. Zo graag zou ik haar van alles vertellen. Wat zou ik dan in die brief schrijven? Ongetwijfeld dat ik haar mis. Iedere dag. En dat dat missen niet overgaat, dat het mij pijn doet. Dat ik verdriet heb, om zoveel, maar vooral omdat ze er niet meer is. Ik zou ook schrijven dat mijn zoon, haar kleinkind, gegroeid is, van een klein kind naar een heuse tiener. Dat zou ik haar zeker vertellen. En dat ze trots op hem zou zijn. Om zijn goede punten op school, maar vooral omdat het zo’n aardige jongen is. Een jongen die ook houdt van Frankrijk, net zoals zijn oma – dat zou ik beslist schrijven. En ze zou daar blij om zijn.
Ik zou ook vertellen over de aanslagen in Parijs en Brussel, hoe de wereld in brand staat, ik zou schrijven over de vluchtelingen, over hoe weinig solidariteit er in deze wereld is, maar des te meer onverdraagzaamheid. Ze zou zich daarover opwinden, dat weet ik zeker. Ik zou ook vertellen dat er stekjes van geraniums die ik meebracht uit Griekenland, op de vensterbank staan en flink aanpakken, dat er zelf één bloeit. Ik zou schrijven dat wij nu in een huis in haar geboortedorp wonen, en dat haar roots ook de onze zijn, en dat we het hier naar onze zin hebben. Ik zou ook vertellen dat het schrijven aardig lukt. En ze zou fier zijn.
Ik zou  haar toevertrouwen dat ik die Libelle van vijf jaar geleden, die Libelle die ze bij zich had toen ik haar de laatste keer zag, koester als een relikwie. En ze zou zeggen dat ik niet moet huilen. Dat weet ik zeker. En toch ween ik.

Nu al, weken op voorhand, worden we om de oren geslagen met reclamefolders. Ideetjes voor moederdag. Ik heb zo’n hekel aan die dingen. Ik moet geen ideetjes. En toch, ik ben zelf moeder en dat wordt dus ook mijn feest.
Mijn zoon is druk in de weer met de voorbereidingen voor moederdag. Stiekem worden voorwerpen in plastic zakken gestopt, geniepig wordt er inpakpapier naar zijn kamer gebracht. Ik moet lachen. Mijn zoon is de liefste jongen van de wereld – zeker in de aanloop naar moederdag.

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn Facebook-pagina: http://bit.ly/1qCGdrO

Alleenstaande moeder wordt ambassadrice van Hyundai

Het was januari en kil. De kranten ploften in de brievenbus en voelden wat wak aan. Ik nam ze mee naar de keukentafel en deed mij tegoed aan koffie, veel koffie. De zomer was nog zo ver af. In De Standaard stond een artikel – het was net voor het autosalon – over bekende Vlamingen als ambassadeurs van automerken. Over wat zij in ruil deden om een jaar gratis met een auto te rijden. Niet veel – zo bleek. Ik zuchtte. Was een automerk niet beter af met een onbekende ambassadeur, iemand die aansloot bij de leefwereld van hun klanten? Ik als alleenstaande moeder bijvoorbeeld? Ik schreef er een blog over en postte de link op twitter. Hyundai reageerde – als enige. Er zou een soort van wedstrijd uitgeschreven worden, je kon iemand nomineren die volgens jou een gratis auto voor een jaar verdiende. Ik vond dit ferm.

Als signaal kon dit tellen.
Hyundai  stak hier toch wat zijn nek mee uit.
Natuurlijk is het ook Hyundai om auto’s verkopen te doen, maar deze wat sociale aanpak deed mij geweldig plezier.

Heel veel mensen reageerden. En uiteindelijk was de keuze aan Hyundai.
Ik ging met vakantie naar Griekenland en keerde ook weer terug. Met serieus wat tegenzin. De valiezen stonden nog half uitgepakt in de keuken toen op een zaterdagochtend de bel ging. Staf Coppens met twee mannen, een camera en een mega microfoon. Of ik wou meespelen in een muziekquiz. Ik schrok. Tv-spelletjes zijn hoegenaamd mijn ding niet. Ik vroeg wat door, hoe kwamen ze bij mij terecht,  en Staf Coppens antwoordde zonder hapering. Of ik meeging. Ik aarzelde wat en stapte mee. Of ik wist wat ik kon winnen? Hoe zou ik? In welk tafereel was ik hier beland? Eén van de cameramannen had mij al van een microotje voorzien, onder en in mijn trui en wist beslist al meer over mijn ondergoed van die dag dan ik zelf. Toen we de bocht om waren, begon het mij te dagen. Daar stond een auto met een megagrote, blauwe strik. Een Hyundai.
De quiz bleek een smoesje. Hyundai kiest mij, een onbekende, alleenstaande moeder als ambassadrice van hun merk voor het komende jaar.

Dat ik daarmee ook wat
ambassadrice ben van de alleenstaande ouders
is vanzelfsprekend.

Een dikke merci.

Wil je mij volgen? Like dan zeker mijn Facebook-pagina: http://bit.ly/1qCGdrO

Staf Coppens verrast Sigrid

 

hyundai
Staf Coppens met Sigrid Lapiere en de cameraman

Ik mis ze wel, die jongens. Aan de vooravond van La Doyenne.

April 2009 – op weg naar Remouchamps. Liège-Bastogne-Liège werd gereden en wij, mijn moeder, zoon en ikzelf, gingen kijken. Plan was om tot de bevoorrading te rijden en vervolgens naar de aankomst in Ans. Mijn moeder hield van de koers, maar nog meer van de Ardennen en ze was eigenlijk mee voor het etentje achteraf. Mijn zoon vond en vindt nog steeds koers maar niets, maar die heuvels in de Ardennen leken echte bergen voor die kleine jongen. De fascinatie was enorm. En zo stonden we daar bij enkele soigneurs aan de bevoorrading. Kofferbak open, zittend op de rand van de koffer. Zoals les profs. Mijn zoon was druk in de weer met het zoeken naar keien, mijn moeder vond het allemaal wat lang duren en ik gaf commentaar op de koers – tegen niemand in het bijzonder. In een flits snelden de renners voorbij. En dat was het dan. Wij dan maar naar Ans. Mijn zoon raakte niet uitgepraat over de bergen in ons land en mijn moeder had honger.
In Ans vonden we vrij gemakkelijk een parkeerplaats en wandelden tot de aankomst. In de laatste bocht stond een groot scherm waar de koers op te zien was. Verder geraakten we niet meer. Ik duwde mij tot de nadars terwijl mijn moeder en mijn zoon wat op afstand bleven. En toen was hij daar. Andy Schleck, de jongste van de broers won La Doyenne. Hij was toen 24 jaar. De Schlecks waren jonge goden in het peloton, barstend van het talent en enorm geliefd. Maar dat was toen. Toen reden ze nog bij Bjarne Riis, heette hun ploeg nog CSC en Saxo Bank , en zag de wereld er nog heel anders uit. Toen was koersen nog hun hobby, genoten ze als gelukkige knaapjes  –  druk kenden ze niet. Dat was toen. Toen torsten ze nog geen dopingverhalen met zich mee, toen visten ze, was Armstrong nog een vedette en woonde de jonge Andy nog bij zijn mama. Toen leefde mijn moeder nog.
De twee broers leken een geweldige carrière tegemoet te gaan. De jongste won zelfs de Tour. En ook Frank Schleck reed geïnspireerd. Maar het bleef niet duren. Andy kon het succes moeilijk dragen, Frank werd geschorst als gevolg van een dopingaffaire. De druk was bij beiden loodzwaar geworden. Of met andere woorden: hun moeder was veel te ver weg en de hoge verwachtingen zaten  hen op de hielen. Het vervolg is gekend: Andy stopte met koersen na blessures, Frank koerst nog – zij het in de schaduw, ja van wie eigenlijk? Het is jammer, doodjammer dat die eens succesvolle renners langs de achterdeur van het peloton verdwenen zijn.  Ik mis hen wel, die jongens, en dat zal zondag niet anders zijn, maar nog veel meer mis ik mijn moeder.

Brief aan minister Peeters

Beste Minister Peeters,

Hebt u goed geslapen afgelopen nacht? Of laat die kleine storm aan reacties op uw uitspraak ‘we leven allemaal boven onze stand’ u koud? Ik vraag mij dat af. Ik heb schaamrood op de wangen sedert ik het verguisde interview las. Plaatsvervangende schaamte of gewoon een rode kop van woede. Wat bedoelt u precies, Meneer Peeters, met iedereen leeft boven zijn stand? Over welke stand heeft u het ? Of varieert die stand naargelang de soort mensen waar u het over heeft? Want er zijn blijkbaar soorten mensen: mensen die kapitalen versassen en mensen die onder de armoedegrens leven, en vele varianten daartussen.  Welke maatstaf hanteert u precies? Of gaat u gewoon van uw eigen loon – dat u uiteraard verdient – uit? U spreekt over nog meer besparingen. Hebt u enig idee wat dit betekent voor een modaal gezin, voor een gezin zonder buitenlandse rekening? Beseft u wat dit inhoudt voor bijvoorbeeld alleenverdieners, voor alleenstaande ouders? Consulteert u wel eens mensen die gebukt gaan onder al die besparingen? Of gaat u van gratuite veronderstellingen uit zoals men dat ook doet als men het over de Grieken – luie koppigaards die ook boven hun stand leven – heeft? Wordt ‘we leven allemaal boven onze stand’ het nieuwe cliché dat de Belgische geschiedenis ingaat?  Is het Griekse model van besparingen uw voorbeeld?
Meneer Peeters, ik ben een alleenstaande moeder. En ik doe niet aan leven volgens een bepaalde stand. Ik probeer te overleven, zoals zoveel anderen. Ik kan mijn stem laten horen, want dat is mijn werk, en daarom wil ik u vragen: vooraleer u zulke boude uitspraken doet, maak dan eens een rekensom. Neem het gemiddelde nettoloon van een Belg, trek daar alle kosten vanaf – van energie tot kinderopvang – en zie dan eens wat er rest, als er al iets rest. Maak de rekensom een tweede keer en vertrek nu  van een uitkering als inkomen. Probeer  uw uitspraak nu te herhalen zonder wrange smaak in uw mond te krijgen. Als de rekensom niet lukt, wil ik u graag helpen.

Een fijne zondag.

Met vriendelijke groeten,
Sigrid Lapiere

Canella

kaneel

‘Canella’ zegt de man trots als ik hem vraag hoe kaneel in het Grieks klinkt. Ik had het kunnen weten: stokje, natuurlijk. De zakjes kaneel liggen op een bestoft schap in een donkere hoek van de winkel. De supermarket is in zijn hele amper verlicht. De vrees voor een hoge elektriciteitsfactuur verklaart de duisternis. De man lacht, hij is blij met een enkele toerist. En nog blijer als ik woordjes wil leren. Ef charisto betekent dank je wel – charmeert hij verder. Zelfs dat wist ik niet. Zijn vrouw bekijkt het schouwspel van op afstand. Het winkeltje is gelegen langs de zee en kende vroeger allicht een groot succes. Een shop voor de toeristen. Toeristen die er nu nog amper zijn. Een meisje dat in een plaatselijk restaurant werkt, verklaart dat de reizigers veelal Grieken waren, die nu wegblijven omwille van de crisis. En verder zijn er nog Duitsers en Oostenrijkers die hier decennia geleden huizen kochten en verbouwden. Haar lichaamstaal verraadt hetgeen ze hier van vindt.
Bij de bakker ruikt het onvermijdelijk naar kaneel. Het aanbod is heel beperkt. De vrouw des huizes is aan het lezen. Een heel dik boek. Om de dag door te komen – vermoed ik. Ze spreekt geen Engels en ik geen Grieks. Toch begrijpt ze mij als ik vraag om het soortement van stokbrood te snijden. Ik loop door en ga terug naar mijn nieuwe vriend van de supermarket, waar ik een mes koop. Om brood te snijden.

In mijn valies heb ik een speciaal vakje: het kaneelvak waar ik mijn zakjes kaneel verzamel. Ik hou van die specerij. De geur gaat naar mijn kindertijd, naar de keuken van mijn moeder. Niemand kon klaaskoeken bakken zoals zij dat kon. Met kaneel, veel kaneel. De geur is een parfum van geluk, van jeugdsentiment, maar ook van heimwee, van gemis. Als ik thuis de zakjes kaneel uit mijn valies haal, merk ik weer dat heimwee. Een ziekelijk verlangen naar een land waar ik mijn hart verloor. Kaneel maakt mild, leerde ik onlangs. Dat vind ik bijzonder. Zou dat de verklaring zijn voor de uithouding van de Grieken in die slepende crisis? Of is het eerder de passie, de liefde die ze voor hun land voelen, een passie die ook uit kaneel spreekt? Cinnamon is bitter and sweet, just like a woman, the way to everyone’s heart – klinkt het in A Touch of Spice. Of is het dan toch omdat ze – zoals de apotheker op weg naar Mycene verklaarde – strong people zijn?

Delen als minimaliseren – Griekenland inspireert

20160402_091822

Het is een vreemde gedachte. Mensen die teveel hebben willen minimaliseren, vereenvoudigen, om op die manier hun leven minder complex te maken. Ze willen van hun spullen en ballast af. Ik kom van een land – Griekenland – waar veel mensen te weinig hebben. Simplify you life klinkt daar bijzonder wrang. Is hun leven zoveel eenvoudiger met minder – een soort van minder dat ze niet zelf gekozen hebben? Ik betwijfel het. Spullen, geld hebben veel Grieken minder, maar  de wil om te delen met anderen, de solidariteit, de zorg voor elkaar: daar hebben ze veel meer van. En is het daar niet om te doen? Maakt dat het leven juist niet veel eenvoudiger – te weten dat er iemand voor je zorgt, dat je aan kunt schuiven aan de eettafel van de buurvrouw als je honger hebt, dat je zelf bereid bent door het vuur te gaan voor de ander? Is dat niet de kern van simplify your life dat niet die dure auto, die hoge omheining rond je riante villa of je hippe kledij je leven bepaalt maar de ander? Moet niet iedereen juist daarnaar streven? In ‘Groeten uit Griekenland’ van Bruno Tersago las ik een bijzondere passage. Iemand vertelt dat zijn leven meer inhoud heeft gekregen sinds het uitbreken van de crisis. Het gaat niet langer meer om het verdienen van geld om meer nieuwe dingen te kopen en anderen de loef mee af te steken, want je hebt die dingen toch niet nodig. (…) De gesprekken die we voeren, zijn niet meer zo gratuit als vroeger. We hebben het over essentiële zaken en proberen iets van elkaar op te steken.
Wij ruimen onze kleerkasten op en die orde geeft rust, want we willen alles reduceren tot de kern. Maar is dit niet een beetje flauw, hypocriet zelfs? Ik heb mensen ontmoet die 10 kilogram mandarijnen langs de weg verkopen voor drie euro. Dat betekent 30 cent per kilo. Diezelfde mensen geven ons gratis vier appelsienen als we iets gaan drinken. Hoeveel verdienen zij dan? En toch delen zij. Hoe minder mensen hebben, hoe genereuzer. Minimaliseren als je al weinig hebt, is een veel grotere uitdaging. Afscheid nemen van een thuisbroek is verre van voldoende.

Come again – Over minimaliseren in Griekenland

Ik maak mij al eens druk. Stress is mij niet vreemd, ontspannen niet mijn fort. Ik maak mij al eens druk. Ook om kleine dingen. Vakantie zou daar verandering in brengen. Griekenland – een roadtrip door de Peloponnesos.
Griekenland geniet mijn sympathie, Alexis Tsipras en Bruno Tersago ook. Ik kan wel een boom opzetten over de houding van Europa tegenover Griekenland. Maar eerst vakantie.
Ons eerste hotel situeert zich in Tolo, een klein badplaatsje. Het is er warm en de zee pijnlijk mooi en blauw. Het hotel is sober, de eigenaar een vreemde man die een allegaartje spreekt van Frans en Engels, en als dat niet lukt gaat hij verder in het Grieks. Het charmeert mij.  We zeuren een beetje. Echt hygiënisch is het hier niet, maar het uitzicht is prachtig. En de zon schijnt. Een wandeling langs de zee opent de ogen. Vele panden staan leeg of zijn in deze lentemaand nog dicht. Er is amper volk. Het strand straalt duizelingwekkend mooi, de mensen groeten hartelijk. We drinken een koffie en betalen de helft van de prijs voor eenzelfde bestelling in België. Vergane glorie – die indruk geeft het stadje ons. Glorie die het al een tijdje geleden uitgezongen heeft. Bij het ontbijt is de eigenaar druk in de weer. We zijn de enige gasten. Hij maakt een soortement van omelet, serveert brood met confituur, nescafé, bananen, appels, plukt appelsienen van zijn boom en maakt fruitsap. Ik ben onder de indruk – niet zozeer van het ontbijt, maar van de gulheid. Mensen hebben hier weinig, leven op een andere manier, en delen wat ze hebben. Daar we kunnen we nog veel van leren.
We beslissen naar Mycene te gaan. Langs de weg stop ik bij een apotheek. Een hartelijke vrouw die vraagt waar ik vandaan kom. En vervolgens hoe het gaat in ons land – met de bommen? Zo heeft iedereen wel iets: zij de crisis met alle gevolgen, veel vluchtelingen die vastzitten en wij de bommen. De vrouw zegt ook nog dat de Grieken strong people zijn en dat ze het wel overleven. En dat Europa meer samen moet leven, dat er meer humanity moet zijn. Het is een wijze warme vrouw.
Terug in het hotel treffen we de eigenaar in onze kamer. Hij maakt de bedden op. Hij vraagt mijn voornaam, hijzelf heet Dimitrios – of wat had je gedacht. Ik moet lachen. De afgelopen nacht had ik een deken onder mijn matras gestopt omdat ik altijd met mijn benen iets hoger slaap. Hij wijst naar mijn constructie en lacht om mijn uitleg.  Hij vertelt over zijn moeder, die hem als kleine jongen overal naar toe bracht. Het hotel is naar haar vernoemd. Ze hield van dansen en uitgaan. Maar ze rookte veel. En plots stierf ze. De glans in zijn ogen verraadt veel liefde. Ik slik. In de ontbijtzaal hangt een foto van zijn ouders. Zijn vader is omgekomen in de oorlog. Een eenzame Dimitrios, denk ik, die zelf ook teveel rookt en gevaarlijk hoest. Tegen de avond heeft hij een hele constructie bedacht waardoor mijn benen wat hoger  kunnen liggen. Het ontroert mij. ‘s Anderendaags vertrekken we naar onze volgende halte. Come again– zegt hij. Hij geeft ons appelsienen en citroenen mee. Het afscheid doet wat zeer.  We komen beslist terug.

12924504_1720019751609186_1519112587188799163_n
Langs onze tocht stoppen we in diverse beeldige plaatsjes . Wat opvalt is dat de mensen hartelijk en vriendelijk zijn, genereus. Ze zijn met weinig tevreden – niet dat deze simplify your life hun keuze is. En toch zeuren ze minder dan ikzelf.
Onze voorlaatste halte heet Tyros. De hoteluitbaatster is een oudere vrouw die enkel Grieks spreekt, maar we behelpen ons. Als we van daar vertrekken naar Athene zwaait ze tot ze ons niet meer ziet.
Dimitrios en Griekenland hebben een bijzondere plek in mijn hart veroverd en mij aan het denken gezet. Waar zijn wij toch soms mee bezig? Het is tijd om de dingen in een ander perspectief te plaatsen. Een bagatel is altijd een bagatel. Ik ga mij minder druk maken om kleine dingen en wat vaker aan Dimitrios denken. Griekenland is een goede oefening in symplify your life. Europa en ikzelf mogen zich schamen.

Afscheid van een thuisbroek

Deze column verscheen in het aprilnummer van Femma magazine.

Mijn leven kreeg tot voor kort het label ‘eerder ingewikkeld’. Complex zelfs en in feite niet te overzien. Tot ik mijn thuisbroek naar de kledijcontainer bracht.

Ik hou van mode, van sobere kleedjes, sneakers en een heerlijk parfum. Thuis ging ik echter tot voor kort niet eens voor casual, maar voor het lelijkmakende gemak. In mijn geval was dat een broek met print, versleten, en een blauw truitje waar ik nagenoeg in woonde. Thuiskledij. Tot het moment waarop ik in aller ijl nog naar de bakker rende voordat ik mijn zoon van school ging afhalen. Ik vergat de kledij om te wisselen en merkte te laat dat ik met de afgedragen printbroek bij de bakker stond. Ik schaamde mij dood. Zo kon het niet verder. Gemak – wiens gemak? Eens thuisgekomen bracht ik de broek, met nog een aantal jeans die bewaard werden om te schilderen, naar de container. Het voelde als een bevrijding , creëerde ruimte in mijn kleerkast en loste mijn kledijdilemma op. Ik doe niet meer aan thuiskleren. Ook thuis draag ik een leuk kleedje omdat ik mij daar wonderwel bij voel.
Nu ik toch aan opruimen toe was gekomen, besloot ik ook huis te houden in mijn hoofd.  Ik steek geen energie meer in het vervullen van andermans – te hoge – verwachtingen. Moeten ruimt plaats voor mogen. Ik doe gewoon mijn ding. Als ik geen zin heb in intelligent en literair, dan lees ik een romantisch boek van Nicolas Barreau en ik schaam mij niet eens. De eettafel in de living functioneert voortaan als de werktafel en rechts ervan prijkt een groot plan van Parijs aan de muur, ongeacht de mening  van interieurdeskundigen . Op zaterdag zit ik heerlijk lang aan de keukentafel met koffie en kranten, ga mij vaak pas na tien uur douchen en ik heb lak aan drukdoenerij. Mijn verwachtingen van het leven zijn wat bijgesteld, wat realistischer geworden, de verwachtingen tegenover mijzelf en de ander evenzeer. Ik slaag er almaar meer in te aanvaarden dat mijn leven langzaam voortkabbelt en dat ikzelf niet zo nodig alles moet combineren en aankunnen. Ik durf  ‘dit lukt niet’ te zeggen en dat maakt mijn leven nuchter en simpel.  Grote verhalen mogen al eens klein zijn, en geluk kan gemakkelijk huiskamergeluk zijn. Ik geniet van mijn nog in te richten terras, word blij van mijn geraniumstekjes, en zie de zon wat vaker. In contact met de ander werk ik niet meer aan relaties die enkel frustratie en ergernis oproepen. Ballast gooi ik overboord en dat brengt tijd en ruimte met zich mee – ook in mijn hoofd. Ik investeer enkel nog in mensen die er toe doen. Gemakkelijker gezegd dan gedaan? Dat is het zeker. Een kast opruimen is beslist eenvoudiger  dan je relaties, en met uitbreiding je hoofd, op orde brengen, maar in wezen draait het om hetzelfde: afscheid nemen van hetgeen niet meer hoeft, loslaten. Loslaten is meer dan een hype, dan een nieuwe religie, het is een serieuze opdracht die wel wat van je vergt. Het vraagt een nieuwe manier van denken en zijn en begint bijvoorbeeld met een thuisbroek naar de container te brengen