Tekens 2

Op 17 november 2015 begon ik deze blog. Na de aanslagen in Parijs, om een teken te geven.
We planden toen een trip naar Parijs, als signaal. Volgende week dinsdag vertrekken we met wat geluk vanuit Zaventem naar Athene, evenzeer om een teken te geven.

Ik post hier nog eens dat eerste stukje dat ik toen, in november van afgelopen jaar, schreef.
Tekens

Advertenties

Fail

Het was me wat. Afgelopen weekend kon je bezwaarlijk saai noemen. Salah Abdeslam werd gevat. Bij toeval. Of via andere bronnen: na veel en hard werk. Dat toeval, of vele werk, zo je wil, werd een succes genoemd. Geen fail.  Borstgeklop. Machogedrag. Trots. Bon, ze hadden hem. Toch kon ik mij niet van de indruk ontdoen dat de Franse president François Hollande niet veel zin had in die persconferentie van afgelopen vrijdagavond. Hij zat er wat verveeld bij. Misschien vond hij het hele onderzoek wel een fail en voelde hij mee met de slachtoffers. Dat zou kunnen. Of hij had zin om ergens in Brussel te gaan eten, of in het Carlton in Aalbeke. Dat had ook gekund.  Maar goed, ze hebben hem, en Frankrijk wil hem. Dat proces wordt nog een moeilijke weg.
Zaterdag was evenmin onbesproken. Milaan – San Remo: de primavera werd gereden. Een doorgaans saaie koers die in het laatste half uur beslecht wordt. Het was nu niet anders. Toch hou ik enorm van Milaan –  San Remo.  De twee steden alleen al. En de koers luidt de lente in – en nog zoveel meer. Maar goed. Arnaud Démare won – een verrassende winnaar, dat wel. Het zag er even naar uit dat Kwiatkovski zou winnen, maar hij werd alsnog gegrepen. Iets dat de commentatoren niet opgemerkt hadden. Ik heb zelf naar Milaan – San Remo gekeken en eerlijk waar, ik had het ook niet gezien. Maar ik ben natuurlijk Michel Wuyts niet. Je kan nu van die laatste vinden wat je wil, maar dit moment van mindere opmerkzaamheid als fail bestempelen, vind ik er los over. Spontaan kwam ‘wie vrij is van zonde, werpt de eerste fail ‘– je weet wel – bij mij op.  In De Morgen van afgelopen weekend merkte Rik Torfs op dat we in een samenleving leven waar al maar meer de cultuur van ‘oog om oog, tand om tand’ heerst. Fouten worden uitvergroot en zeker niet vergeven. Een cultuur waar de fail van de één een succes voor de ander vormt. Bedroevend. En zondag was er Palmzondag. De Paus betreurde de onverschilligheid waarmee er met de vluchtelingen werd omgegaan of niet omgegaan. Ik ben fan van de Paus. Dat is al langer gekend. Maar waar kom je ermee in een samenleving waar je geen fouten mag maken?

Verzamelaar van mooie dromen

Ik winkel soms in Auchan. Het is vlakbij en toch al in Frankrijk. Als ik de grens voorbij rij, voel ik mij met vakantie. Zeker als de zon schijnt en ik met zonnebril op luid meezing met de muziek op de radio. Auchan is een ervaring. Boodschappen doen kan zo heerlijk zijn.
Bon, daar sta ik dan. In een mega grote winkel met een veel te grote caddie die ik nauwelijks in bedwang krijg.  Hoe komt het toch dat ik steevast een winkelkar tref waarvan de wielen alle kanten uit willen? Ik hunker naar de planten. Zou ik al een olijfboompje kopen? Het is nog geen lente en in feite nog te koud. Dan maar niet. Van de planten beland ik bij de boeken. Veel boeken. Alleen al daarvoor hou ik van Frankrijk: het aanbod pockets is overweldigend. Voor zeven euro gaat een hele nieuwe wereld voor je open. Telkens opnieuw. Ik twijfel. Ga ik voor de derde Nicolas Barreau of de nieuwe Joël Dicker of waag ik mij aan een boek met gewoon een leuke titel? De boeken van Nicolas Barreau hebben het niveau van een Vijf-film en hetzelfde effect op mij. Ik kan er waanzinnig van genieten. Alleen, het boek telt amper 200 bladzijden; in een middag ben ik er klaar mee. Joël Dicker is van een heel andere orde: een jonge, Zwitserse literaire god. Maar heb ik wel zin om intelligent en literair te doen?  Het boek met de leuke titel – Chiens perdus & coeurs solitaires – doet mij glimlachen. En het telt bijna 500 bladzijden. Ja, waar let een mens op om een boek uit te zoeken? Ik kies voor het laatste.
Ik neem wat kazen en koop kaneel, in bulk. Ik begeef mij naar de kassa, lach om de Belgen met hun volgeladen winkelkarren met jawel water en cola, en reken af. Ik heb nog tijd voor een koffie. Met un grand crème en het nieuwe boek voel ik mij in de zevende hemel, en waarom niet als God in Frankrijk? Het leven kan verbazend simpel zijn.
Een week later is het boek uit. Het vertelt het verhaal van Rachel die van een glamorous leven in Londen naar het platteland trekt. Ze erfde een hondenpension en huis van een tante. Haar keuze is ingewikkeld. Op het platteland, bij de honden en haar nieuwe vrienden blijven, of terugkeren naar Londen? Algauw ontdekt ze dat haar leven en relaties, zelfs haar job in Londen bedroevend nep waren, dat haar nieuwe leven veel meer haar ware ik blootlegt, niet minder complex maar wel authentiek. Chiens perdus & coeurs solitaires is beslist een voorbeeld van hoe je je leven kan ontdoen van ballast, van hoe je je leven kan zuiveren.
Bij de post vind ik vanmorgen een leuk kaartje met een badge: verzamelaar van mooie dromen, in het andere pakje zit een affiche van het Klarafestival: Erbarme dich. De zon schijnt en de koffie smaakt heerlijk. Hoe simpel kan het leven zijn.
 

Ochtendrituelen 1

De ochtend is een raar gegeven. Ik lach enerzijds om het einde van de zoveelste slapeloze nacht, anderzijds geeuw ik: nog doodmoe. De gedachte het bed te verlaten trekt mij niet bijzonder aan. En toch, omdat het moet, sta ik iedere morgen op. Ik loop de trappen af en geef mij over aan een zeker automatisme. Koffie zetten, fruitsap inschenken, fruit op tafel, yoghurt, brood, confituur, corn flakes, melk. De ene krant uit de brievenbus nemen, een andere krant digitaal. En dan even alleen aan de keukentafel de wereld vervloeken. Die fase gaat over. Echt waar. En dan wissel ik mijn bril voor mijn lenzen en wek ik mijn zoon.
Deze morgen verliep anders. Ik werd wakker gemaakt door een uiterst charmante, aantrekkelijke man. Ik had bijzonder goed geslapen en hij verwende mij met een ontbijt op bed: perfecte koffie, mijn lievelings Alpro-producten, vers geperst sinaasappelsap, een kiwi, de juiste kranten en hij zette zowaar hemelse muziek op: ll est où le bonheur van Christophe Maé. Bon, ik hoefde daar niet lang over na te denken, het geluk was daar, in mijn warm bed. Ik zag er buitengewoon fris uit, mijn lenzen zaten al op wonderbaarlijke wijze in mijn ogen, mijn haar perfect in orde. Zelfs ’s morgens kwam de man gevat uit de hoek, hij deed mij lachen. En verder praatte hij niet zoveel. Hij nam het dienblad van het bed en liet mij nog wat slapen. Als bij wonder dommelde ik terug in en kwam een paar uur later wakker. Met koppijn, haar in de war, onmogelijk mijn bril te vinden en dus zo blind als een mol, de dekens over heel de kamer  verspreid, geen koffie te bekennen noch aantrekkelijke man. Ik struikel het bed uit, zet  koffie, zoek de kranten die door het slechte weer later in de brievenbus belanden en ik merk dat de kiwi’s op zijn. Van Alpro geen spoor. Ik zucht eens en wek mijn zoon. Goedemorgen.

Feminisme volgens mijn moeder

We waren met vier. Vier kleine kinderen tussen 7 en 15 jaar met één moeder. Een vader was er niet meer. Dood. Uit het leven gesnokt. Mijn moeder was toen nog een jonge vrouw van goed veertig jaar. De dood van mijn vader reduceerde haar tot weduwe en wij, de kinderen, tot half-wezen. Alles krijgt wel een naam. Hoe het dan verder moet als jonge vrouw met vier kinderen, daar was geen term voor. Of toch wel. Maar dat besef kwam later pas.
De zomer begon, en daarmee de grote vakantie. We gingen naar zee. We beschikten over een wagen en mijn moeder over  een rijbewijs. Alleen had ze dat rijbewijs zonder veel kennis van zaken kunnen afhalen op het stadhuis. Echt rijden met een auto, dat zag ze toch vooral anderen doen. Toch gingen we naar zee. De auto uit een smalle garage krijgen, behoorde niet tot haar vaardigheden, achteruit rijden evenmin. Mijn moeder bedacht voor alles een oplossing. De buur zou de auto uit de garage rijden en dan  – de zee was immers rechtdoor – zou zij de weg verderzetten. En zo geschiedde. Voor dag en dauw vertrokken we naar Nieuwpoort. Altijd rechtdoor. En we kwamen goed en wel aan. Van de vakantie zelf herinner ik mij weinig. Behalve dan dat er bezoek kwam. Ik geloof dat mensen ons kwamen troosten en dan maar een dag aan zee meepikten op mijn moeders kosten. Ramptoerisme, zo je wil.
Kleine  kinderen werden pubers en later grote kinderen. Mijn moeder zorgde alleen voor brood op de plank. Veel brood met beleg. We studeerden verder – dat was één van haar wensen. En dat gebeurde.  Mijn moeder begeleidde ons, alleen. We gingen op reis, er waren boeken in huis, we waren goed gekleed, we werden aangemoedigd. Mijn moeder deed alles alleen. Van de vuilniszakken buiten zetten tot de motorkap openen, van zieken verzorgen tot diplomavieringen bijwonen, van samen lachen tot samen huilen. Wij, de kinderen vonden dit vanzelfsprekend. Mijn moeder was moeder en vader in één persoon. Ik was te jong om te beseffen wat dit van een mens vergt. En later, later heb ik het haar te weinig gezegd – hoeveel respect dit verdient.
Was mijn moeder een martelares? Zeker niet. Was alles de schuld van een ander? Ook niet. Het leven had een onverwachte wending genomen en zij maakte er het beste van. Ze kon alleen haar plan trekken en leerde ons dat ook, onafhankelijk te zijn. Ze bracht ons een leven bij waarin wijzelf de vuilniszakken buiten zetten. Ze leerde ons mondig te zijn, te ijveren voor onze rechten, op te komen voor onszelf. Ze leerde ons moedig te zijn, want dat is wat je bent als je met vier kinderen verder moet, dat is die term die toen, zoveel jaar geleden, ontbrak. Ze leerde ons te leven. En als dat de kern van het feminisme is, dan sluit ik mij er, op de vooravond van de vrouwendag,  graag bij aan.

Verloren honden en eenzame zielen

Afgelopen week speelden honden een cruciale rol in het leven van alledag. Vreemd is dat. Ik heb niets met honden. Verre van. Ik vind ze stinken, vies en kwijlerig. Niets voor mij. Toch heb ik een hond als vriend: de hond van mijn zus. Hij is mijn fan, misschien wel mijn grootste fan. Hij is dol op mijn gebak. En ik tolereer hem. Op afstand. Een paar dagen geleden bakte ik klaaskoeken. En in de diepvriezer zitten er nu enkele koeken. Voor hem. Jawel.
Vandaag ben ik Chiens perdus & coeurs solitaires van Lucy Dillon gestart. Een heel luchtig boek dat volledig kadert in het project: simplify your life en ook over honden gaat. Of wat had je gedacht?  Later beslist meer hierover.
Een artikel in MARK-magazine trok vanmorgen mijn aandacht, over honden die mee mogen naar kantoor. Het zou goed zijn voor de gezondheid, de sfeer en de werkdruk. En dan heb zelfs ik geen bezwaar.
Helemaal honds was het ontwerp van KB dat Kris Peeters, de federale minister van werk, afgelopen week neerlegde. Uurroosters voor deeltijds werkenden moeten maar één dag op voorhand bekend gemaakt worden. De verplichting om uurroosters in het arbeidsreglement op te nemen, verdwijnt. Alle uurroosters zijn mogelijk, deeltijdse werknemers de speelbal. Ik moet spontaan aan Combineren in je eentje denken, het proefschrift van Christien Gilleir over hoe alleenstaande ouders arbeid en zorg verenigen. Het werkstuk legt heel nauwkeurig de vinger op de wonde, hoe moeilijk alleenstaande ouders het hebben om die twee essentiële taken te combineren. Veel alleenstaande moeders werken deeltijds of niet. Hoe kun je een maatregel, waarmee je het nog moeilijker maakt voor ouders om bijvoorbeeld kinderopvang te organiseren, rechtvaardigen? Alleenstaande ouders hebben een heel eng netwerk,  amper sociale contacten en bedroevend weinig vrije tijd. Als ze zich al bijvoorbeeld engageren tot vrijwilligerswerk, een cursus volgen, sporten of wat dan ook op regelmatige tijdstippen, wordt zelfs dat gehypothekeerd door slaafse uurroosters. Waar is die participatie heen? Wat bezielt een minister van werk om van deeltijdse werknemers slaven te maken, slaven van tijd die niet meer de hunne is? Hoe maak je op die manier werk werkbaar? Hoeveel werknemers zullen een dergelijk regime volhouden?  Hoe houd je iedereen aan boord? Hoe evolueert de samenleving?
De gevolgen voor deeltijdse werknemers zijn niet min, ook niet voor de werknemers die niet alleenstaand zijn. De maatregelen leggen de werknemers letterlijk aan banden en maken van hen verloren honden en eenzame zielen.

Benidorm

Heel wat jaren geleden vertrok mijn moeder op vakantie naar Benidorm. Met een verre nicht. We hadden kunnen weten dat dit idee fout was. Vakantie in een ander land dan Frankrijk betekende voor mijn moeder een vorm van verraad. Op reis gaan met iemand anders dan één van haar kinderen betekende dit evenzeer. Toch had ze zich laten overtuigen. Hoe hard ik ook mijn best doe, ik kan mij niet meer herinneren wat die doorslaggevende argumenten moeten geweest zijn. Naar Benidorm dus. 10 dagen. De verre nicht was er al enkele keren geweest en bon, Benidorm heette zowat het paradijs. Wij, de kinderen, deden smalend over Benidorm. Mijn moeder was de cultuur van Frankrijk gewoon, geen paradijs noch kitscherig strand. En al zeker geen Nederlandssprekende lokale bevolking.
De eerste postkaart die we kregen, gaf een teken. Een strand, veelkleurige strandstoelen en parasols, nog meer kleurige letters. Zelfs die kaart kon bezwaarlijk het idee zijn van mijn moeder. Ze deed niet aan op het strand liggen. Een dorpje bezoeken, iets drinken, wat eten, een praatje maken, wat rondrijden – dat allemaal wel. Maar op een strandstoel liggen zonnen? Ik heb haar dat nooit zien doen. Iedereen was het er over eens: de reis en de postkaart vielen tegen. De dagen duurden lang. Ook voor ons, de achterblijvers. Ik kon nauwelijks het reisverslag afwachten.
De dames keerden van de luchthaven met een busje terug naar huis. Het idee alleen al… We stonden in de living door het raam te kijken en probeerden iets van de blik van mijn moeder op te vangen. Het leek iets tussen ergernis en gelukzaligheid. Heel precies konden we de emoties niet duiden. De nicht was al eerder aan haar huis afgezet – heel gemakkelijk dat luchthavenvervoer – en mijn moeder stapte binnen en deed de voordeur dicht. Wij, bijna in koor: ‘En?’ Het waren niet haar eerste woorden, maar heel vlug volgde: ‘dat nooit meer’. Benidorm stond zoals verwacht, gelijk aan zon en strand, veel Belgen, neplederen handtassen, blingbling kettingen en marktjes. Mijn moeder had graag ook het oude gedeelte bezocht, maar de nicht hield van marktjes en blingbling. Veel eerder dan ontspannen gaf mijn moeder een nerveuse indruk. Veel praten om de ergernis te ventileren. Tja, Benidorm.
Ik moet aan deze reis terugdenken als ik in Iedereen Beroemd de verslagjes van Belgen in Benidorm bekijk. En ook nu weer begrijp ik dat Benidorm niets voor mijn moeder kon zijn.