Place de Clichy

Beste lezer,
Dit is mijn bijdrage voor de wedstrijd van uitgeverij De Bezige Bij.
Veel leesplezier.

Knipselclichy

De hemel is verdeeld in arrondissementen en lijkt heel erg op Parijs, hetgeen mij uiteindelijk niet verwondert. Dat had ik kunnen weten. Parijs leeft hemels. Een chauffeur wacht mij op in een decadent lange wagen. Vastberaden. Hij heeft een plan. Mag ik dan alsnog op audiëntie bij God? Hij draagt een zwart pak en smetteloos witte handschoenen. Een steriliteit die fel afsteekt bij de stad die ik ken. In een accentloos Frans legt hij mij uit dat hij mij naar de Opéra rijdt. Opera is niets voor mijn moeder, niet haar stijl.  God neemt mij in de maling. In de rue de Scribe, aan de Opéra Garnier, houdt hij halt – op een denkbeeldige parkeerplaats enkel toegankelijk voor goden, Italianen en chauffeurs van God dus. Ik ga naar het Concert Symphonique van Patrick Bruel luisteren, zegt hij op een betweterig toontje. De chauffeur drukt een ticket in mijn handen. ‘Votre mère vous attend.‘ Goddelijk.
Wat bevreesd, aarzelend ook en enigszins ijlend stap ik dat prestigieuze gebouw binnen. De grandeur van de opera komt mij tegemoet. Een concert van Patrick Bruel, of Patrick Bruel tout court neigt wel naar mijn hemel, maar tref ik hier, in dit decor van glorie, mijn moeder? Is er een link tussen deze Franse chansonnier en mijn moeder? Ik herinner mij geen enkele anekdote noch groot verhaal over Bruel. Ze hield van het Franse chanson, dat wel, van Hervé Vilard, van Dalida, van Adamo, maar van Bruel? Was ze daar niet te oud voor? Mijn ticket geeft mij de beste plaats in het theater. Zelfs in de hemel doet men aan V.I.P. en is de rijstpap voor de één wat geler dan voor de ander. Naast mij blijft de stoel leeg.
Mijn moeder stierf vijf jaar geleden. Zonder adieu. Zonder laatste gesprek. Een herseninfarct werd haar fataal. Ik bleef verweesd achter. Het nooit plaatsgevonden laatste gesprek werd een obsessie, een dwangmatig moeten, het gebrek aan afscheid een mislukte onthechting. Afgelopen Kerst werd mijn wens gehoord. Onder de kerstboom lagen er twee pakjes. In het ene zat de toegangscode tot de hemel  verpakt. De sleutel tot het laatste gesprek.
Het publiek is opgetut, met klasse, zoals het in een opera hoort. Ouder ook. Bruel raakt alle leeftijden en deze generatie zakt allicht moeizamer af naar een stadion. Dit operaconcert lijkt mij een perfecte marketingstunt. Of toch niet. Dit zijn mensen die in mijn wereld al dood zijn en in deze hemel verder  feesten. Natuurlijk zijn ze ouder. Bruel zelf ook strak in het pak. Hij ziet er goed uit. HIj is kleiner dan ik dacht. Hoe beweegt iemand zo’n groot publiek? Bruel heeft alles van een Fransman. De looks, de gestes, de praat – vaak over heel erg weinig. Hij komt er mee weg. Frankrijk aanbidt hem. Als kleine uk kwam hij met zijn moeder van Algerije naar Parijs. Zijn moeder heeft een plaats in de loge. Ze is op bezoek in de hemel, net als hijzelf. De special guests van God. Hij praat over zijn mama. Zijn respect doet zeer. Het liedje Raconte-moi is over en voor haar. Tranen maken mijn zicht nog meer troebel. Wat doe ik hier tussen deze levende lijken? Waar is mijn moeder?
‘Dit liedje is voor u, Madame, u weet waarom’, zegt Bruel en richt zich tot niemand in het bijzonder. Hij aarzelt even.  Het symfonisch orkest zet de eerste noten van Adieu in. Heeft Bruel het tegen mij? Gooide mijn moeder het op een akkoordje met deze Franse ster ? Praat ze via hem? Moet hij de klus dan maar klaren, zingt hij de laatste woorden?  Moet ik het daarmee doen? Mijn moeder is geen lafaard, Bruel geen verrader. Waarom gaat ze mij uit de weg? Adieu – Je n’ai plus de questions – Mes yeux sont abîmés- Mon cœur perd la raison. *
Een zinsbegoocheling, een kortsluiting van mijn brein, hooguit een farce. Meer is deze transcendentale toestand niet. Mijn geloof in de hemel heeft nooit bestaan. Hoe ver was ik heen om mij door deze fantasie te laten leiden? Muziek van Bruel die mij altijd zo gelukkig kon maken, die mijn humeur van historische dieptepunten tot euforische hoogtes kon brengen, zou ik voortaan steeds associëren met deze goddelijke trip. Misschien is dat nog de ergste straf. Boetedoening voor mijn opportunistische geloof in een hemel.
Het praten in mijn hoofd met mijn moeder begon direct na haar overlijden. Ik praatte met haar via een stemmetje dat leefde in mijn gedachten. Eerder gevoerde gesprekken zette ik verder, herhaalde ik tot ik wenselijke versies bekwam. Ieder gesprek met eender wie was een stencil. Ik raakte niet verder. Zou niet verder raken zonder dit laatste gesprek. Het stemmetje was mijn moeder niet, evenmin mijn geweten. Ik overschatte afscheid. Ik dacht dat afscheid nemen mogelijk was. Niet dus. Je neemt geen afscheid van je moeder. Je wordt je moeder.

Het weer in Parijs dat eerder op de dag zo hemels leek, is omgeslagen en de nacht guur. Ik dwaal door de stad. Op zoek naar iets dat ik niet kan vinden. Er is geen chauffeur meer te bekennen, laat staan een bestemming.  De Boulevard Haussmann boezemt mij angst in. Deze brede weg geeft de wind vrij spel. Ik struikel bijna. Een bedelaar ligt op een opengescheurde kartonnen doos met een goedkope fles wijn naast hem, in zichzelf te praten. Of te foeteren op de wereld. Wie zal het zeggen? Ik sla rechts de Rue de Rome in. De etalages van de vele muziekwinkeltjes die mij anders charmeren, staan mij nu tegen. Mijn verwachtingen waren irreëel en uiteraard niet ingelost. Het is niet anders. Ik word moe van mijzelf. Hoe had ik kunnen hopen mijn moeder te ontmoeten? Wat bezielde die chauffeur, waar kwam zijn valse belofte vandaan?
De koude neemt het van mijn denken over. Ik huiver. In de buurt van het Gare de Lazare is nog aardig wat volk bijeen. Warme koffie zou soelaas kunnen bieden. Ik loop door. Weg van de menigte. Ik kom uiteindelijk aan het Place de Clichy. Een plein waar behalve het achtste, negende, zeventiende en achttiende arrondissement, ook veel culturen samen komen. Ik hou van dit plein. Het monument stelt maarschalk Moncey voor,  Moncey die Parijs verdedigt. Een open plein en toch een veilige burcht. De vele winkeltjes in de Avenue Clichy zijn nog open. Kraampjes met een amalgaam aan goedkope spullen. Misschien vind ik hier wel handschoenen. Mijn handen gloeien van de koude. Bij een Pakistaan die allerlei textielwaren etaleert, stap ik binnen. Aan de geïmproviseerde toonbank staat mijn moeder, met een paar blauwe lederen handschoenen in haar handen. Zonder iets te zeggen geeft ze ze aan mij. Veel verder dan mijn lippen van elkaar brengen, kom ik niet. Ik stamel tenslotte ‘Merci’ – zonder haar blik los te laten.

Nerveus open ik het tweede pakje dat onder de kerstboom ligt. Het strikje wringt wat tegen. Mijn ongeduld scheurt het fraaie inpakpapier dat een paar blauwe lederen handschoenen onthult. Ze voelen warm aan.

Advertenties

Wachten

Ik ben ruim een uur te vroeg in de luchthaven. Overmorgen is het kerstavond. En nu al heeft deze hal iets desolaats. Kerstmis is familie, geen luchthaven. Bij gebrek aan familie is vluchten een optie. Onze optie. Ik zit hier te wachten tegenover een Relay shop. Be generous, be cool, be positive, be curious, be zen, be happy. Relay verwacht wel heel erg veel van zijn klanten. Een uur wachten in de stank van hamburgers. Ik ben nog steeds in Bruel-stemming. Hij dringt aan, in mijn oren. Hoe weersta je een uur? Ik heb geen talent voor wachten. Naast mij zit een kaki-man te lezen. De krant. Ik vraag mij af wat hij met Kerst doet. Kaki. Hij heeft allicht een missie.
Een uur wachten. In de luchthaven eet men meer friet dan dat men kust. Vreemd. Reizigers worden opgewacht door hun geliefden om zich dan te vergrijpen aan die vettigheid. Ik begrijp niets van de wereld. Van wachten evenmin. En frieten moet ik niet.
Reizigers intrigeren mij. Achter iedere reiziger een verhaal – minstens één. Ik hou van verhalen, maar niet van wachten.
De kaki-man loenst een beetje. Zijn krant uitgelezen. En nu wacht hij. Net als ik. We praten niet. Ik doe niet aan praten. Bruel zit immers in mijn oren. Ik heb mijn handen vol met luisteren. De kaki-man sluit zijn ogen. Ik begrijp hem. Wie zou er in zijn oren met hem flirten? Of is hij gewoon doodmoe van al dat kaki-gedoe? Het zijn kaki-tijden in dit land. Straks trekken wij naar een ander land, naar ons land, naar Parijs. Parijs is niet kaki, maar rood – dieprood. Parijs is liefde, Parijs is warm, Parijs is Patrick Bruel, Parijs wacht niet. Maar tot dan wacht ik. In de luchthaven. De kaki-man draait met zijn vingers. Hij verveelt zich. Op wie zou hij wachten?
Nog een half uur. De kaki-man schrikt op van zijn eigen gekuch. Hij staat op en verzamelt zijn spullen. En dan zie ik het. Een oudere vrouw komt naar hem toegelopen, zijn moeder ongetwijfeld. Mooi. Soms kan zelfs kaki een glans krijgen.
Ik wacht nu. Alleen. Met Bruel. Op mijn zoon. Ik stel mij zijn glimlach voor als hij straks door de poort komt. Doodmoe allicht. En gejaagd om zijn grote verhalen te vertellen. Grote blauwe ogen die stralen en een mond die te vlug beweegt. Hij zal honger hebben. Hij heeft altijd honger. En niets zal snel genoeg gaan.
Het wachten duurt nu niet lang meer. Ik trek Bruel uit mijn oren. Mijn zoon wint het van Bruel. Van eender welke Bruel. En daar is hij dan: mijn jongen, waar ik op wachtte.

20151222_145402 (2)

Patrick Bruel, vous êtes énorme, mais vous êtes énorme!

Patrick Bruel

Ik heb de liefde van mijn leven bedrogen. Ik ga vreemd, jawel, en ik heb geen spijt. Gustave Flaubert staat zelfs aan mijn kant: overspelige liefde is de mooiste liefde. Ik kan amper  aan iets anders denken. In mijn hoofd is het al een beklonken zaak: ik wil mijn elektrisch deken ruilen voor Patrick Bruel. Et voilà.
Daar stond hij dan. Op het podium. Helemaal in het zwart. Zijn ogen nog donkerder. De kledij, wat veel leder, moest allicht zijn viriliteit accentueren. Een overbodige opgave. Daar stond hij dan – wijdbeens, uiteraard, microfoon tussen de handen.  Zijn publiek opgezweept, hysterisch. Daar stond hij  dan – Patrick Bruel. Mijn nieuwe deken, zeg maar.
Casser la voix zong hij. Wat anders. Si, ce soir, j’ai pas envie d’ rentrer tout seul, si, ce soir, j’ai pas envie d’rentrer chez moi – en dan dat lachje. Héhé. Si, ce soir, j’ai  pas envie d’ fermer ma gueule, toi ce soir – weer dat lachje – ou toi ce soir – weer dat lachje. Ik:  évidemment Patrick.  Geen gewoon lachje. Plus fort. Ja, ja. Saute, saute, saute – al die dames die voor hem staan te springen, zullen hem  ook niet onberoerd laten. Patrick Bruel is gewoon seks. Maar ook meer dan seks alleen.
Patrick Bruel is van joodse afkomst en verhuisde als kind met zijn moeder van Algerije naar een Parijse voorstad. Patrick Bruel is die jongen die geweldig kan zingen, die weigerde in Toulon op te treden omdat de burgemeester tot het Front National behoorde, het is die jongen die afgelopen donderdag Viva for life van de RTBF opende in Charleroi, op de Place de la Digue. Ja, het wordt een warme week. Patrick Bruel is die jongen die Trés souvent, Je pense à vous schreef. Patrick Bruel is tja, enorm.
Hoe ik mij nu voel? Wel, als de Emma Bovary onder de dekens, geloof ik.
Vous étes énorme, mais vous êtes énorme zegt hij tot slot.
Beste lezer, voor mij straks geen deken onder de kerstboom, maar Patrick Bruel, live. Et ben, Patrick Bruel, vous aussi, vous êtes énorme.

Ik hou van de koers en van Bellegem

Twee nieuwsberichten volstaan om mij wakker te schudden, om die adrenaline zelfs bij het begin van de winter te voelen stromen, om een grenzeloze euforie van mij meester te laten maken en luidkeels mee te zingen met Patrick Bruel: Casser la voix!  Het eerste is een niet echt wereldschokkende mededeling: de startplaats van de eerste rit van de Driedaagse van West-Vlaanderen  blijft tot 2019 Brugge; het tweede: Fabian Cancellara rijdt de Giro in 2016. Bon, de koers beweegt iets in mij, dat is niet nieuw. Maar waar komt die quasi onvoorwaardelijke liefde vandaan? Zijn het dan enkel de gespierde lichamen van de renners, hun entourage of een enkele fotograaf die mij steeds weer tot die waanzinnige liefde drijven? Het zou kunnen. Of is het toch eerder mijn fascinatie voor het soms toch wel afwijkende gedrag van topsporters? Ook dat is mogelijk. En toch is er meer.
Ik  was nog een kind toen de Tour de France in onze garage plaatsvond. Mijn broer en ik hadden een heel peloton aan plastieken rennertjes, dat een welomschreven parcours op de garagevloer  aflegde. De loszittende, enigszins opgeheven dalen vormden de cols. Alles was voorzien. In mijn ploeg zat steevast de winnaar. Ik kende toen al veel meer van koers dan mijn broer. Al was dat niet zo moeilijk – met Bernard Hinault kwam je al een heel eind. Later op de middag werden de ritten op televisie gevolgd. Mijn moeder, wiens moeder van Bellegem afkomstig was, hield ook van de koers. Ik herinner mij goed haar legendarische verhalen over Bellegem Koerse die jaarlijks op witte donderdag plaatsvond. Bellegem Koerse was  een soort van voorloper van de Driedaagse van West-Vlaanderen – de Johan Museeuw Classics. Het was weliswaar een ééndagskoers, maar volgens de overlevering bleven de supporters toen al drie dagen weg van huis.
Bellegem heeft iets met de koers. Dat komt ongetwijfeld door de ligging,  maar evenzeer door de mentaliteit, de grensmentaliteit. Bellegem is veel meer Frankrijk dan Vlaanderen. Bellegem is een dorp dat leeft – hoorde ik mijn moeder vaak zeggen. Al wist ik niet zo goed wat ik mij daar diende bij voor te stellen. Enkele jaren geleden ging ik naar de aankomst van een rit van de Driedaagse van West-Vlaanderen. In Bellegem.  En ik begreep waar mijn moeder het zo vaak over had. Over een enthousiasme voor de koers, een warmte en gulheid, een voorliefde voor Picon, die ik zelden elders gezien had. Bellegem ademt koers. En in het voorjaar zal je zelden in deze streek komen zonder ergens te moeten stoppen voor een passerend peloton.
Het jaar na de Festina Tour nam ik mijn moeder mee naar Avesnes, de vertrekplaats van een rit in de Tour de France van 1999. We waren vroeg. In de plaatselijke boekhandel hing een enorme affiche van Richard Virenque. Hij had een boek geschreven. Over zijn waarheid nog wel. Ma Vérité. Ik heb de boekhandelaar zo gek gekregen dat hij mij de affiche mee gaf. De rit was nog niet begonnen en ik bevond mij al in de wolken. Later die dag, toen mijn moeder en ik ergens op een terras zaten, herkende ik mijn eigen blik in de ogen van mijn moeder. Toen ik over die jonge Zwitser vertelde. Dat aanstormende talent dat later op het jaar wereldkampioen bij de junioren zou worden.  Fabian Cancellara. Hij zowel als ik hadden nog een hele weg af te leggen.  Een weg die al eens kruiste.
Bruel zingt intussen: Si, ce soir, j’ai pas envie d’rentrer chez moi, Si, ce soir, j’ai pas envie d’fermer ma gueule Si, ce soir, j’ai envie d’me casser la voixIk luister al de hele dag naar hetzelfde liedje. Mijn zus wijst er mij op dat ook dat erfelijk is. Mijn vader deed precies hetzelfde – een LP steeds maar weer laten spelen. Alles is erfelijk, tiens . Ik hou van de koers, omdat ik van mijn moeder hou.

Quiche

Ik studeerde aan de lange, robuuste tafel in de woonkamer, niet op mijn kamer. Het vertrouwde geluid van de koperen klok, de aanblik van mijn moeder in de keuken en de open kijk op de straat vormden mijn studeerbiotoop. Ik wilde het niet anders. Nochtans had ik een keurig bureau op mijn kamer, maar ik vond het er saai, te kil ook. De woonkamer was gezelligheid, een knusheid die mijn goesting in studeren aanwakkerde. Ik overtuigde mijzelf toch met dit argument.
Studeren was voor mij plannen. Op geruite bladen tekende ik een schema met de verschillende blokdagen en per uur noteerde ik de pagina’s die ik mij voornam te studeren. Ook pauzes laste ik in. Ik hield mij aan mijn plan, en ook aan de pauzes. Mijn moeder verwende mij. Ik kan het niet anders zeggen. Tijdens de blok maakte ze steevast mijn lievelingsquiche: met tomaten, kaas en veel – vaak teveel -basilicum. De smaak, de geur zelfs, van die koudgeworden quiche kan ik mij nog perfect voor de geest halen. De kundigheid waarmee ik kleine partjes van die taart sneed evenzeer.
Mijn zoon studeert deze dagen voor zijn kerstproeven. In de living. Aan de ronde tafel bij de kerstboom. En ik maak quiche. Een variant weliswaar. Met gerookte zalm, kerstomaten, courgettes en basilicum. Ik verwen mijn zoon. Het is niet anders. Van de school kregen ze een bundeltje mee: mijn planning. Keurig ingevuld. Wat te studeren op welke dag en uur. Ik bereid lekkernijen voor de pauze en ’s avonds spelen we monopoly. Voor de gezelligheid. Verliezen kunnen we immers niet.
Vreemd hoe je met het ouder worden steeds meer op je moeder gaat lijken. Om haar in leven te houden. En om uiteindelijk je moeder te worden.

A.F.Th. van der Heijden

20151208_110603

We wachtten aan de verkeerslichten in de buurt van de Jacob Obrechtstraat. Mijn zus en ik. Het was nog rood voor de voetgangers. Daar stond hij. Tegenover ons – met een zebrapad tussen ons. Hij droeg een beige regenjas die wat fladderde. Zijn zwarte krullen evenzeer. De week erop zou ik hier terugkeren, om een gesprek met hem te voeren in functie van mijn proefschrift. Hij kende mij nog niet. Enkel van naam en wat brieven. Het licht sprong op groen en hij stak de weg over. Wij bleven staan. Toen hij vlak bij ons was, deden we nagenoeg een toertje rond hem – als was het een curiosum. Hysterisch eigenlijk.  Of puberaal – wat je wil. Hij zou het niet in de gaten hebben. We spraken hem niet aan.  Malevich –  de tentoonstelling in het Rijksmuseum – was het doel van ons bezoek. Ik was twintig en sloot Amsterdam in mijn armen. Van A.F.Th. van der Heijden hield ik al langer.
De cake geurde zoet toen ik een week later bij A.F.Th. van der Heijden koffie dronk. Het was 1 april 1989. Ik gedroeg me belachelijk nerveus. Ook nog toen we op witte wijn overschakelden. Ik noteerde quasi niets, ik zat enkel met open mond te luisteren. Vallende ouders was het eerste boek dat ik van hem had gelezen. En daarna verslond ik als een bezetene ook zijn andere werken. Na het gesprek  wandelde hij met mij mee naar het station en wees mij op de pillenbrug uit De Slag om de Blauwbrug. Alles leek mythisch. Mijn bewondering nam de vorm van dweperij aan.
Ik bleef A.F.Th. van der Heijden volgen. Ik las ook met plezier de boeken van zijn vrouw Mirjam Rotenstreich.  Het werk van van der Heijden was ja, een constante in mijn leven.
En toen stierf zijn zoon Tonio. Hij verjaarde op 15 juni, net zoals ikzelf; hij was 19 jaar jonger. Tonio werd slechts enkele jaren ouder dan die 19 jaar.
Het boek Tonio kwam uit toen ik zelf rouwde. Om mijn moeder.  Ik beschouwde Tonio als één van mijn rouwboeken. Ik las in die tijd ook David Grossman, Connie Palmen, Roland Barthes. Wat zocht ik in die rouwboeken? Troost? Een medicijn? In ieder geval iets dat ik niet vond. Nooit zou vinden. Ik bedacht dit gisteren toen ik Adri van der Heijden in De Wereld Draait Door zag – met zijn nieuwe boek De ochtendgave. Nu, veel jaren, boeken, successen, wijsheid en verdriet verder hou ik nog steeds van A.F.Th. van der Heijden. Even komt ook zijn vrouw Mirjam in beeld. Weer vallen mij die donkerbruine ogen op. Zulke mooie ogen waarin Tonio schittert.  Of zoals in de ogen van mijn zoon mijn moeder leeft . Het leven neemt soms een vreemde wending. De dood evenzeer.

De plek

De plaats – een hoekje eigenlijk –  onder de trap kon voor alles dienen. Een bergplaats voor de stofzuiger, een bijna-dood plant, een verloren plastic zak, maar die dag stond er op de plek helemaal  niets. Het was 6 december, ik was acht en de Sint leek mij vergeten. Hoe kon zoiets gebeuren? Ik onderdrukte een snik en begaf mij naar het ontbijt. Ik concentreerde mij op de Nutella-pot om mijn tranen te bedwingen. De vrolijkheid van mijn moeder stak fel af bij mijn ontgoocheling. Hoe kon iemand nog lachen als je eigen wereld ingestort was? Mijn broer prutste aan de korsten van zijn boterham, die hij naar gewoonte niet op at. Hij scheen zich niet om de heilige man te bekommeren.  Hij kroop uiteindelijk van zijn stoel af en liep door het huis. Gillend keerde hij naar de keuken terug. ‘Speelgoed. In de hall.’ Ik rende met hem mee. Ik kon mijn ogen amper geloven. Op de plek stond een blauwe fiets voor mijn broer, een pop voor mijzelf,  een monopoly voor ons beiden en chocolade, marsepein en mandarijntjes. Had ik mij dan zo vergist? Had ik het speelgoed gewoon niet opgemerkt? De voordeur stond nog open. De garagepoort eveneens. Het begon mij te dagen. Sinterklaas had het speelgoed eerst in de garage verstopt en vanmorgen op de plek komen zetten. Zo was het ongetwijfeld gegaan. De monopoly was een Franse editie. De Sint winkelt in Auchan – wist mijn moeder.  We nestelden ons met het speelgoed in de zetel bij ons vader. De Sint zou ons nooit vergeten.
Ik denk hieraan terwijl ik een monopoly koop voor mijn zoon. De wereldeditie – ook in het Frans. En in ons huis hebben we evenzeer een plek, waar mijn zoon als eerste zal kijken als straks de Sint is geweest. Een plek aan de trap.